-
Notifications
You must be signed in to change notification settings - Fork 1
Expand file tree
/
Copy pathnl_val
More file actions
300 lines (300 loc) · 97.9 KB
/
nl_val
File metadata and controls
300 lines (300 loc) · 97.9 KB
1
2
3
4
5
6
7
8
9
10
11
12
13
14
15
16
17
18
19
20
21
22
23
24
25
26
27
28
29
30
31
32
33
34
35
36
37
38
39
40
41
42
43
44
45
46
47
48
49
50
51
52
53
54
55
56
57
58
59
60
61
62
63
64
65
66
67
68
69
70
71
72
73
74
75
76
77
78
79
80
81
82
83
84
85
86
87
88
89
90
91
92
93
94
95
96
97
98
99
100
101
102
103
104
105
106
107
108
109
110
111
112
113
114
115
116
117
118
119
120
121
122
123
124
125
126
127
128
129
130
131
132
133
134
135
136
137
138
139
140
141
142
143
144
145
146
147
148
149
150
151
152
153
154
155
156
157
158
159
160
161
162
163
164
165
166
167
168
169
170
171
172
173
174
175
176
177
178
179
180
181
182
183
184
185
186
187
188
189
190
191
192
193
194
195
196
197
198
199
200
201
202
203
204
205
206
207
208
209
210
211
212
213
214
215
216
217
218
219
220
221
222
223
224
225
226
227
228
229
230
231
232
233
234
235
236
237
238
239
240
241
242
243
244
245
246
247
248
249
250
251
252
253
254
255
256
257
258
259
260
261
262
263
264
265
266
267
268
269
270
271
272
273
274
275
276
277
278
279
280
281
282
283
284
285
286
287
288
289
290
291
292
293
294
295
296
297
298
299
300
woud scheen in deze akelige eenzaamheid te heerschen. Omstreeks middernacht kon men in de verte een klein bootje zien, dat naar een der schepen scheen te gaan. De kano hield stil, en een Indiaan, die misschien van de soldaten van het garnizoen een weinig Spaansch geleerd had, praaide het schip, en vroeg naar Columbus. Men duidde hem het admiraalsschip aan, waarna hij er langzaam naar toe roeide. Maar toen hij er bij kwam, durfde hij niet aan boord gaan
vóór Columbus zich vertoonde en hij bij 't licht van een flambouw zijn gelaat zag, waaruit het hem duidelijk werd, dat men hem niet bedroog. Toen ging hij met iemand, die hem vergezelde, in het schip, bewerende
een neef van het beroemde opperhoofd Guacanagari te zijn. Namens hem kwam hij twee gouden kroontjes brengen. Op de belangstellende vragen van Columbus aangaande het lot van zijn volkplanting, gaf hij verwarde en onduidelijke antwoorden. Maar het was ook moeilijk voor hem, om zich
door woorden of door gebaren duidelijk uit te drukken. Columbus meende er uit te moeten opmaken, dat vele Spanjaarden aan ziekten gestorven waren; dat zij onder elkander twist gekregen hadden, waarbij er velen gedood waren geworden; dat de anderen met Indiaansche vrouwen waren weggegaan en zich over het eiland hadden verspreid. Ook deed hij de treurige mededeeling, dat een aantal wakkere
krijgslieden van de bergen van Cibao, het schoone dorp, waar Guacanagari woonde, aangevallen, alle huizen verbrand, vele inwoners gedood en anderen gevankelijk hadden weggevoerd. Ofschoon Guacanagari aan de slachting ontkomen was, lag hij toch gewond en ziek in een nabijgelegen gehucht; anders zou hij zich de eer hebben gegeven persoonlijk zijne opwachting bij den admiraal te maken. Hoe droevig die tijding ook was, Columbus troostte zich met de
gedachte, dat het garnizoen niet omgekomen was door de trouweloosheid der wilden. Het medegedeelde was overigens een klaar bewijs, dat de Nieuwe wereld volstrekt geen rein paradijs van onschuld en vreugde was. De Indianen gingen, na gegeten en geschenken ontvangen te hebben,
weer naar den wal. Zij verzekerden Columbus, dat het opperhoofd, die van zijn wonden langzamerhand herstelde, plan had zich den volgenden morgen aan boord te laten brengen. Columbus, die alle hofgebruiken steeds zeer in acht nam, wachtte, toen het morgen werd, uur aan uur op het beloofde bezoek van den vorst. De
dag ging in alle stilte voorbij, en men zag zelfs geen kano. Pijnlijk was de aanblik, dien de eenzaamheid en de verlatenheid aan alle kanten te aanschouwen gaven. Er steeg zelfs geen rook uit de bosschen op, wat een teeken van menschelijk leven zou zijn geweest.
Toen het avond werd, zond de nieuwsgierige en afgematte Columbus een boot aan land, om verkenningen te doen. Het scheepsvolk begaf zich dadelijk naar het fort. Het bood een schouwspel van geweld en verwoesting aan, dat het koenste hart schrik zou hebben aangejaagd. Door den een of anderen wreeden vijand was het geplunderd, verbrand en geheel verwoest. Zij zagen op eenigen afstand één of twee
Indianen op de loer liggen, maar niet één er van durfde naderbij komen. Toen de zeelieden bij hen trachtten te komen, liepen zij hard weg alsof hun geweten hen aanklaagde. Dit ontmoedigende bericht brachten de matrozen den admiraal mee. Het verdroot Columbus bovenmate. Hij ging den volgenden morgen, na de haven ingezeild en het anker uitgeworpen te hebben, zelf aan land. Geen spoor van garnizoen was meer te zien; alleen een tooneel
van verwoesting, dat een verschrikkelijken strijd en een vernielende slachting aanduidde. Al het getimmerte lag op den grond; de vensters waren stukgeslagen; lappen van kleedingstukken, die bemorst en met geweld verscheurd waren, fladderden in den wind. Niets kon men vinden, dat eenig licht wierp op het vreeselijk drama, dat daar moest hebben plaats gegrepen. Het akelig tooneel wekte bij de meesten het vermoeden op, dat Guacanagari een valschaard was geweest. Maar Columbus
bewaarde het geloof aan de trouw van het opperhoofd. Hij werd in deze overtuiging versterkt door de smeulende asch, waarin het dorp zelf lag. Toen dit onderzoek was afgeloopen, ging Columbus met de booten de rivier op, om, zoo mogelijk, gewaar te worden, waar de mannen gebleven waren, en wat er van hen geworden was. Nadat zij ongeveer 3 mijlen ver geroeid hadden, kwamen zij bij eenige hutten, waaruit alle bewoners gevlucht waren, zoodra zij de Spanjaarden
zagen naderen. Hier vonden zij onderscheidene Europeesche zaken, die zonder twijfel aan het garnizoen hadden toebehoord. De vrees van hen, die Guacanagari wantrouwden, werd hierdoor vermeerderd. In deze onzekerheid keerden zij terug naar de puinhoopen van het fort.
De lezer zal zich nog wel herinneren, dat er een veertigtal manschappen achtergebleven waren. Het waren Spaansche oudgedienden, aan oorlog gewoon, ze zouden zich, indien het noodig was, met hun blinkende sabels en vernielende geweren doodgevochten hebben. Het fort was sterk gebouwd, en werd door een kanon verdedigd, zoodat het schijnbaar onneembaar was voor elke macht, die de wilden er tegen konden aanvoeren. Men kon zich haast niet voorstellen, hoe zulk een garnizoen overwonnen had kunnen worden door menschen, die slechts met pijl en boog storm konden loopen. De verslagenheid werd nog grooter,
toen men op den dag de graven van elf Spanjaarden vond. Des middags zag men een troepje Indianen in de verte. Zij waren echter blijkbaar bang dicht bij de Spanjaarden te komen. Langzamerhand slaagde Columbus er in hun vrees te verdrijven,
zoodat hij zich met hen kon onderhouden, en spoedig werden zij zeer spraakzaam. Sommigen van hen verstonden een weinig Spaansch, en met de hulp van een Indiaanschen tolk, kreeg Columbus waarschijnlijk een
vrij nauwkeurig verhaal van de verwoesting der kolonie. Wat men ook zegge van het hemelsch karakter van de wilden, aan het aardsche van de Spanjaarden kan niet getwijfeld worden. De zeelieden waren in den regel menschen van de laagste soort, onwetend, bijgeloovig en doodarm. Al de geestkracht van Columbus, met zijn ambtelijke waardigheid en zijn onbeperkte macht, was noodig, om ze in bedwang te houden. Don Diego Arana, die het bevel zou voeren, was een man,
die het goed meende, maar niet in staat, om over de ontzettend groote moeilijkheden, die hij kreeg, te zegevieren.
Nauwelijks was het admiraalsschip weggegaan, of deze zeelieden, die aan den raad, welken zij ontvangen hadden, niet meer dachten, begonnen de inboorlingen allerschandelijkst te behandelen. In kleine welgewapende troepen trokken zij de woningen van de Indianen in, namen hun goud af, maakten zich op de ruwste wijze van hun huizen meester, en mishandelden onmeedoogend al hun huisgenooten. De wilden hadden gedacht, dat de Spanjaarden uit de lucht gekomen waren. Hun gedrag echter toonde, dat zij veeleer uit den afgrond kwamen. Duivels hadden
moeilijk snooder kunnen zijn, dan deze teugellooze Spanjaarden. De beste huizen namen zij in bezit; zochten zooveel vrouwen uit als hun behaagde, grepen vooral, ondanks alle ingebrachte bezwaren en op gewelddadige wijze, de vrouwen en dochters van de opperhoofden aan. Vonden zij ergens goud, dan namen zij het. Dikwijls gaf die gestolen buit aanleiding tot gevechten, werden de dolken voor den dag gehaald en vloeide er bloed. Arana verloor alle gezag over zijn manschappen. Men verliet eigenwillig het fort, en er ontstonden twisten over de vraag, wie de baas was. Er vormden zich partijschappen, en in een hevig gevecht werd er één gedood.
Negen Spanjaarden gingen onder aanvoering van twee hoofden van den opstand uit, om verwijderde goudmijnen op te sporen. Zij richtten hun schreden naar de bergen van Cibao, die midden in 't land lagen. Daar regeerde Caonabo, een beroemd en ontwikkeld opperhoofd, over een oorlogzuchtigen stam. De snoodheden, die de Spanjaarden bedreven
hadden, waren hem ter oore gekomen. Toen de waaghalzen op zijn gebied kwamen, viel hij hen aan, en bracht ze allen om het leven. Toen sloot hij met een anderen stam, welks opperhoofd Mayreni heette, een verbond, en viel met vereende krachten het fort aan. Zij hielden hun marsch geheim, en het garnizoen, waarvan velen afwezig waren, werd plotseling overvallen. In het holst van den nacht drongen onder vreeselijk geschreeuw twee troepen het onbewaakte fort binnen, staken de loodsen in brand en verbrijzelden met knodsen de schedels van
de verschrikte Spanjaarden, die uit hun bed sprongen. Sommigen werden in zee gedreven en verdronken. Allen kwamen om. Wel verzamelde de getrouwe Guacanagari zijne strijdkrachten, om hen ter hulp te snellen, maar het was te laat. Het fort was vernield. Alle Spanjaarden waren
dood; maar toch vocht Guacanagari nog dapper tegen een overmachtigen vijand. Zijn dorp werd tot den grond toe afgebrand. Velen van zijn strijders werden verslagen. Guacanagari, door Caonabo zelf ernstig gewond, wist nog uit zijn verwoest huis te ontsnappen. Hij werd
niet vervolgd. Het groote doel van de verbonden opperhoofden was de uitroeiing van de Spanjaarden. ACHTSTE HOOFDSTUK. HET LEVEN TE HISPANIOLA. Het verhaal, dat de inboorlingen van het treurig lot der kolonie gaven, werd door berichten, die men van andere zijden kreeg, bevestigd. Een
van de karveelen, waarover Melchoor Maldonado bevel voerde, was langs de kust gezonden, om een betere plaats voor een nieuwe volkplanting op te zoeken. Hij had nog maar weinige mijlen afgelegd, of een kano met twee Indianen naderde zijn schip. Een van die twee was een broeder van Guacanagari. Hij verzocht Maldonado aan land te komen, en het opperhoofd een bezoek te brengen, die bij hem in huis was en het wegens zijn wonden niet verlaten kon. Zij vonden het opperhoofd
niet in staat zijn hangmat te verlaten, en zeven van zijn vrouwen verpleegden hem met de grootste zorg.
Guacanagari gaf zijn groot leedwezen te kennen, dat hij niet in staat was geweest den admiraal te bezoeken. Tot in de kleinste bijzonderheden verhaalde hij de gebeurtenissen van het groote ongeval. Zijn verhaal stemde geheel overeen met hetgeen boven reeds gemeld is. Den Spaanschen kapitein en diens metgezellen onthaalde hij mild, en bij hun vertrek bood hij ieder een zware gouden kroon aan. Den volgenden morgen ging Columbus zijn ouden vriend bezoeken. Ten einde het opperhoofd en zijn gevolg eenig begrip van zijn waardigheid en macht te geven, verscheen de admiraal in schitterend hofgewaad en werd hij door een groot aantal officieren vergezeld, die allen maliënkolders aan hadden.
Guacanagari lag in zijn hangmat. Zichtbaar werd hij getroffen door het weerzien van zijn ouden vriend, en hij weende, toen hij het lot van de Spanjaarden verhaalde. Aan de oprechtheid van zijn vriendschap en de waarheid van zijn verhaal twijfelde de admiraal geenszins, maar de Spanjaarden zagen over het algemeen het opperhoofd wantrouwend aan. Het bleek in ieder geval duidelijk, dat hij verontwaardigd was over de
afgrijselijke daden, die de Spanjaarden hadden bedreven, en volstrekt niet verlangde, dat zij zich in zijn gebied vestigden. Het onderhoud was vriendschappelijk, en ook werden er geschenken gewisseld. De
geschenken in goud, die zij van het opperhoofd ontvingen, waren naar Europeesche schatting honderdmaal meer waard dan de sieraden, die hij wederkeerig van Columbus kreeg; maar 't is ook waar, dat deze naar het gevoelen van de wilden, die van hen in waarde overtroffen.
Een chirurgijn onderzocht de wond aan het been. Terwijl hij aan de mogelijkheid dacht, dat sommige spieren gekneusd waren, wat zeer pijnlijk was, meenden anderen, dat het opperhoofd volstrekt zoo'n ernstige wond niet had, als hij voorgaf. Columbus verdedigde echter zijn vriend [4]. Des avonds werd het opperhoofd, ofschoon zichtbaar
lijdend, naar de schepen gedragen. Toen Columbus voor de eerste maal in de haven kwam, had hij twee kleine en beschadigde karveelen bij zich. Nu lag er een trotsche vloot van 17 schepen in de baai. Het schip van den admiraal was een van de hechtste schepen der Spaansche vloot.
Guacanagari was verbaasd over de grootheid, rijkdom en macht, waarvan hij getuige werd. Verbaasd was hij ook bij het gezicht van de vruchten, planten en dieren van de Oude wereld. Schapen, varkens en koeien had hij nog nooit gezien. De grootte, de kracht en het voorkomen van de paarden wekten zijn bewondering op. Nog meer werd hij verrast door hun volgzaamheid en het gemak, waarmee men ze bestuurde.
Aan boord van het admiraalsschip bevonden zich tien jonge vrouwen. Een er van, die Catalina heette, was zeer schoon. Zij zag er als een prinses uit, en zou overal de aandacht getrokken, de bewondering opgewekt hebben. Deze meisjes waren krijgsgevangenen van de Caraïbiërs,
door Columbus bevrijd. Zij behaagden het opperhoofd zeer, maar nu behoorden zij aan de Spanjaarden. Guacanagari had een verschrikkelijk tooneel van de gruweldaden bijgewoond, waartoe de Spaansche matrozen
in staat waren. Hij sprak zeer vriendelijk tot Catalina. Hoeveel onderscheid er ook in de tongvallen was, die op de verschillende eilanden werden gebruikt, toch scheen er zooveel overeenkomst in hun talen te wezen, dat de inboorlingen elkander gemakkelijk konden verstaan. Het is niet onwaarschijnlijk, dat Guacanagari de Spanjaarden nog altijd voor menschen aanzag, die uit een andere wereld kwamen. Maar hij
beschouwde hen niet langer als engelachtige bezoekers. Zij kwamen hem als vijanden voor, van wier snoodheid hij walgde. Het opperhoofd was blijkbaar verlegen, en alle pogingen, om de vroegere vertrouwelijkheid te herstellen, baatten niet. Toen Columbus hem voorstelde, om bij
hem te blijven, was het opperhoofd zichtbaar niet op zijn gemak, en merkte op, dat het hier ongezond was, wat ook werkelijk het geval was. Het opperhoofd keerde naar den wal terug; zijn geest was onrustig, en hij werd door de meeste Spanjaarden met argwaan nagekeken. Den volgenden morgen liet het opperhoofd vragen, wanneer Columbus plan had verder te zeilen, en hij ontving het bericht, dat men den volgenden dag de haven dacht te verlaten. In den namiddag kwam Guacanagari's
broeder aan boord. Men zag, dat hij een afzonderlijk gesprek met de vrouwen hield, in 't bijzonder met de schoone Catalina. Te middernacht lieten Catalina en haar metgezellinnen zich, toen al het scheepsvolk sliep, in alle stilte aan een kant van het schip in 't water glijden. Het schip lag drie mijlen van de kust af, en de zee was onstuimig. De wacht op het dek hoorde het, en maakte gerucht. Dadelijk werd er
een boot bemand, en men zette haar na. Op het strand was een vuurtje ontstoken, dat haar zeker tot baken dienen moest. De vrouwen zwommen als eenden, en werden niet ingehaald vóór zij aan land waren. Vier echter werden op het strand gegrepen. De overigen, en ook Catalina,
ontsnapten. Toen het dag werd, bevond men, dat Guacanagari met al zijn volgelingen vertrokken was. Dit vermeerderde den argwaan van vele Spanjaarden, dat hij een verrader was geweest. Maar hij kon ook niet blind zijn geweest voor de kwade blikken, die hij daags te voren van de Spanjaarden had opgevangen. Enkelen hadden op zijn gevangenneming aangedrongen, opdat hij hun gijzelaar mocht worden. Stellig handelde
hij heel verstandig, door zich zelf niet langer in hun macht te stellen. Alles op La Navidad was met een somber waas overtogen. Het fort lag in puin. De graven der Spanjaarden waren voortdurende gedenkteekens van geweld en bloedstorting. De zeewind scheen den lijkzang te vormen bij de puinhoopen van het inlandsch dorp. Stilte, eenzaamheid en verwoesting heerschten daar. Allen wilden gaarne weggaan. Columbus
besloot ook de plaats te verlaten en een betere plek voor de vestiging van een volkplanting op te zoeken. Het aan land gaan kon niet meer worden uitgesteld. De dieren hadden van de lange reis veel geleden. Allen verveelde het maandenlang aan boord te zitten. Goed bemande booten, sterk genoeg, om langs de kusten te gaan en die te zuiveren van kwaadwilligen, werden links en rechts
gezonden, terwijl de vloot in de ruime haven bleef liggen, om af te wachten, wat de verkenners zouden berichten. De booten voeren heel ver weg en keerden eindelijk terug, zonder dat het had mogen gelukken een geschikte plaats voor een kolonie te vinden. De beruchte zeelieden, die in het garnizoen gelegen hadden, waren door hun gedrag oorzaak
geweest, dat de inboorlingen van de Spanjaarden den slechtsten indruk gekregen hadden, zoodat de aankomst van een groote vloot, waarvan men weldra heinde en ver kennis droeg, den grootsten schrik teweegbracht en allen op de vlucht had gedreven.
Men vond het land ontvolkt. Nauwelijks zag men een enkelen Indiaan, of, als men er bij toeval een zag, liep hij bij de nadering van Spanjaarden weg, alsof hij door tijgers vervolgd werd. Kapitein Maldonado, die naar
den oostkant gegaan was, kwam in het gebied van een koen opperhoofd, die aan het hoofd van zijn leger optrok, om de Spanjaarden aan te vallen. Maar het gelukte den Spaanschen kapitein hem althans in zoo ver tot bedaren te brengen, dat het tot een onderhoud kwam en dat,
ofschoon het niet vriendelijk was, tot een soort van wapenstilstand leidde. Hier vernam hij, dat Guacanagari zich met al zijn volk ver in de bergen had teruggetrokken. Ook ontving hij deugdelijke bewijzen van het gevecht met Caonabo en van de verwoesting van het fort door
zijn troepen. Er bevond zich daar een Indiaan, die door een in den strijd bekomen wond verminkt was. Guacanagari scheen volstrekt niet schuldig te zijn aan verraad.
Den 7en December lichtte Columbus het anker weer, en zeilde naar 't Oosten. Ongeveer 30 mijlen verder dan Monte Christo zeilde hij een groote haven in, geheel door bosschen ingesloten en met een
rotsachtige hoogte bij haar ingang, waardoor het gemakkelijk was, er een fort te bouwen, dat de geheele haven kon bestrijken. Ook liepen er twee rivieren in uit, die gelegenheid aanboden, om er molens te bouwen. Aan één zijde strekte zich een schoone en groote weide tot aan den voet van de heuvels uit, en aan den oever van een dezer rivieren lag een lief Indiaansch dorp. De grond was er blijkbaar zeer vet. De
baai en de rivieren zaten vol visch, waarvan velen kleuren hadden, zooals men ze buiten de keerkringen niet aantreft. Men was midden in December. Het klimaat was bijzonder mild en zacht. De boomen zaten vol bloesems en bladeren. Het gezang van vogels vervulde de lucht. Men was nog niet aan het klimaat van dit gezegende eiland
gewoon, waar de strengheid van den winter onbekend is, waar bloesem en vrucht elkander geregeld opvolgen, ja, waar zij zelfs samengaan, en waar het gansche jaar door een lachend groen gevonden wordt. Hier besloot Columbus zijn volkplanting te stichten. Een bijkomende zaak, die dit besluit vaster maakte, was, dat men hem gezegd had, dat de bergen van Cibao, die rijk aan goudmijnen waren, niet ver
weg lagen. Groot was de vreugde op de schepen, dat men nu uit een lange gevangenschap verlost werd. Elk schip wierp het anker zoo dicht mogelijk bij het strand uit. Elke boot werd in beslag genomen
en iedereen ging aan het werk. Vee, huisvogels, eetwaren, geweren, kruit, huismeubelen, alles werd aan land gebracht, en tijdelijk onder een afdak gezet, dicht bij een meertje, dat kristalhelder water bevatte. Hier bouwde Columbus, op een afstand van 40 mijlen ten Oosten
van Kaap Haïti, de eerste stad in de Nieuwe wereld. Ter eere van zijn koninklijke beschermster noemde hij haar Isabella. De straten werden oordeelkundig gelegd, en de woningen zoo geplaatst, dat zij openbare vierkante pleinen insloten. De drie belangrijkste gebouwen waren een kerk, een magazijn en een woning voor den admiraal. Deze waren alle van steen. Bekwame bouwmeesters maakten er een plan van, en zij werden door ervaren ambachtslieden
gebouwd. De andere huizen werden van hout of riet vervaardigd en de muren bepleisterd. Voor een korte poos was het een vroolijk tooneel, nu allen zoo ijverig bezig waren met het optrekken van nieuwe huizen, te midden van bloemen en vruchten in dezen natuurlijken tuin. Maar het ongeluk was in aantocht. Er brak een besmettelijke ziekte uit. De bedriegelijke bodem wasemde kwaadaardige dampen
uit. Het ontzenuwende klimaat werkte afmattend zelfs bij geringen arbeid. Menigeen had gedachteloos aan de onderneming deel genomen, en was onnoozel genoeg geweest van te meenen, dat men naar een waar
Eden ging, waar de natuur de liefelijkste priëelen voor hen inrichten, en hen met de heerlijkste vruchten voeden zou; waar men goud--als keisteenen--voor 't oprapen had, en waar het aardsche leven vrij van arbeid zou zijn, gelijk aan een voortdurenden feestdag. Het nieuwe van de keerkringslanden was spoedig voorbij. De
lichaamskrachten werden door afmatting ondermijnd, en de geest leed door heimwee. Teleurstelling bedierf die stemming. Men begon te morren en eindelijk te twisten. Een verandering van plaats had
geen verandering van hart teweeggebracht. De kalmte van den helderen hemel was niet in de verontruste ziel van de menschen gedaald. Zelfs Columbus ontkwam het algemeene lot niet. De kolonie, waarvan hij zich zooveel had voorgesteld, was verwoest. De tonnen gouds, die hij met de terugkeerende schepen naar Spanje had willen zenden, om Ferdinand en Isabella zoowel te verbazen als te verblijden, bestonden niet meer,
zelfs niet in zijn verbeelding. De inboorlingen waren onvriendelijk geworden, en vermeden zorgvuldig alle verkeer met de Spanjaarden. De zorgen voor het eskader; het gevaar, dat onbekende zeeën opleverden; het uiteenloopend karakter van al die menschen, die hij niet dan met
de grootste moeite kon regeeren, drukten hem zwaar. Niettegenstaande hij zich alle moeite gaf, om zijn lasten welgemoed te dragen en een opgeruimd voorkomen te bewaren, kon hij toch de neerslachtigheid niet verbergen, die hem drukte. Weken achtereen was hij aan 't ziekbed
gekluisterd. Maar de kracht van zijn geest zegevierde ten slotte op zijn lichaamszwakte. Hij gordde zich met nieuwe kracht aan, om den grooten levensstrijd voort te zetten.
De schepen, die hun lading gelost hadden, werden dadelijk teruggezonden. Allen zagen in Spanje verlangend naar hun terugkomst uit en geloofden, dat zij met goud en andere schatten, die Columbus met zulke gloeiende kleuren had afgeschilderd en waaraan de Nieuwe wereld zoo rijk moest zijn, bevracht zouden zijn. Het was voor Columbus een onuitsprekelijke kwelling, genoodzaakt te zijn ze leeg naar huis te
zenden. Van de binnenlanden, van de ontdekte goudmijnen, van nieuwe rijken, waarin men doorgedrongen was, kon hij geen bericht zenden. De souvereinen verwachtten aanzienlijke voordeelen, en het zou hen zeer teleurstellen, en hun vertrouwen in Columbus grootelijks verminderen,
wanneer zij niets dan jobstijdingen kregen. Onder deze omstandigheden vond Columbus het voor alle dingen noodig zich de grootste inspanning te getroosten, om te maken, dat de schepen bij hun tehuiskomst op de een of andere wijze de schitterende voorstellingen, die zijn voortvarende geest hem had doen maken, zouden bevestigen en rechtvaardigen. Hij had vernomen, dat de
zoogenaamde mijnen van Cibao ongeveer drie of vier dagreizen van daar landwaarts in lagen. Hij zond een afdeeling troepen uit, om onderzoek te doen. Het zou eenige vergoeding schenken, als hij de tijding mee kon geven, dat de gouden bergen bereikt waren, en dat de mijnen,
waarvan men zooveel hoopte, onmiddellijk ontgonnen zouden worden. De ridderlijke Alonzo de Ojeda werd gekozen om deze onderneming te leiden. Hij hield veel van waagstukken en gevaar, en juichte bij de gedachte, dat hij het rijk van het alvermogende opperhoofd Caonabo
zou binnendringen. In het begin van Januari 1494 trok Ojeda met een troep goed gewapende en uitgelezen mannen het binnenland in. Twee dagen lang trokken ze door verlaten streken. Alle inwoners hadden
de vlucht genomen. Zij kwamen bij de bergen en langs een nauwen, slingerenden bergpas bereikten zij den top. De morgenzon gaf hun zulk een prachtig panorama te aanschouwen, als de aarde den mensch slechts geven kan. Aan hun voeten strekten zich schijnbaar grenzenlooze groene velden, weelderige bosschen en kronkelende rivieren uit,
terwijl de verstrooide huizen en dorpen van de inboorlingen; de vlakten nog verfraaiden. Zij daalden van deze hoogten af, en gingen onbevreesd de dorpen in, die beneden lagen. Het scheen, dat de vrees voor de Spanjaarden dit afgelegen deel van het land nog niet bereikt had. De inwoners ontvingen hen vriendelijk en onthaalden hen met de grootste gastvrijheid. Maar het bleek, dat men nog wel een geheele dagreis van de bergen van Cibao afwas. De oppervlakte van het land was golvend, en hier en daar
waren holle wegen, rivieren, waarover geen bruggen lagen, en bosschen met zulk dik kreupelhout, dat men er zich alleen met bijlen een weg doorheen kon banen. Zes dagen lang werkten zij voort, en hadden wel niet van dorst, koude
en honger te lijden, maar werden geblakerd door de stralen van een verzengende zon. De wilden liepen naakt, en waren in overeenstemming hiermede in hun heele gedrag onbeschaafd. Toch schenen zij over het geheel meer een schapen- dan een wolvennatuur te hebben. Maar de onderzoekers zagen, of meenden vele teekenen te zien van grooten rijkdom aan delfstoffen. Stukjes glinsterend goud lagen volgens hun verhalen op het zand van de bergstroomen verspreid. Peter Martyr
verklaart, dat Ojeda een sieraad van zuiver goud meebracht, dat 9 ons woog, en dat hij zelf in een van de beken had opgeraapt. Ook zag hij steenen, waardoor aders van goud liepen. Men vermoedde, dat dit
alleen stukjes waren, die door het stroomende water waren losgespoeld, maar dat daar, onder den grond, groote lagen van gedegen goud zouden gevonden worden. Ojeda had evenals Columbus een levendige verbeelding, en kwam dan ook met allergunstigste berichten aan. Een mensch gelooft licht, wat hij wenscht. Ook Columbus nam die tijdingen gaarne aan, en voegde in zijn
opgewondenheid nog nieuwe kleuren aan de schilderij toe. De geest van al de Spanjaarden was werkelijk door de vleiende verhalen met nieuwe kracht bezield. Onuitputtelijke bronnen van rijkdom deden zich voor hen op. Columbus hield vijf schepen voor zich, en zond de andere, hoofdzakelijk beladen met schoone beloften, huiswaarts. Eenige door
Ojeda gevonden stukjes goud, en ook zeldzame planten en vruchten namen de terugkeerenden mee, benevens een brief van Columbus aan den Koning en de Koningin. Hij gaf hun de verzekering, dat hij nog vertrouwen
stelde in zijn verwachtingen, zoodat hij spoedig in staat zou wezen schepen vol goud, kostelijke medicijnen en specerijen te zenden. Men kon geen woorden genoeg vinden, om de schoonheid en de
vruchtbaarheid van het eiland Hispaniola te beschrijven. De lucht was helder, het klimaat heerlijk, de bergen prachtig, het landschap onbeschrijfelijk schoon, de grond vruchtbaar, de vruchten smakelijk en de bloei eeuwigdurend. Het suikerriet, dat hij uit Europa had meegebracht, groeide er verbazend welig. Een kolonie van over de duizend hongerige menschen, gewoon aan een Europeesche levenswijze, heeft heel wat voedsel noodig. Deze menschen konden niet alleen van vruchten leven, en daarom verminderde
de voorraad hard. Er ging een lange tijd mee heen vóór men tuinen en velden bezaaid had en de oogsttijd aanbrak. Daar de veestapel noodzakelijk vergroot moest worden, kon men er niets van afnemen. Vele kolonisten waren ziek, en de geneesmiddelen verbruikt. De _heeren_ konden niet werken. Er was behoefte aan meer werkkracht, om de mijnen te ontginnen en het erts te smelten. Veel paarden waren reeds gestorven, en men had er veel meer noodig voor openbare werken en
krijgsdienst. Daarom was het allernoodzakelijkst, dat men hem grooten toevoer zond. In den brief, dien Columbus bij deze gelegenheid schreef, stralen ernst en rechtschapenheid door. Opzettelijk werd er niets verkeerd voorgesteld. Hij verhaalde de feiten, zooals ze zich aan hem voordeden, met de meeste waarheidsliefde, en legde moeielijkheden en vooruitzichten zoo getrouw mogelijk bloot. Met de schepen zond hij mannen, vrouwen en kinderen, allen inboorlingen, die hij buit
gemaakt had op de Caraïbische eilanden. Het waren menscheneters, die tot het armste en diepst gezonkene deel van 't volk hadden behoord. In een brief aan Antonio de Torres, waarin hij vertelt, wat hij aan
Ferdinand en Isabella wenscht mede te deelen, schreef hij: "Wees zoo goed den beiden Koningen te doen weten, dat ik met deze twee schepen eenige menscheneters zend, zoowel kinderen van beiderlei kunne als mannen en vrouwen, omdat ik de taal van het land niet ken, en hun dus ook ons heilig geloof niet leeren kan, zooals Hunne Majesteiten en ik zelf ook zouden wenschen. H.H. M.M. kunnen hen nu door geschikte personen onze taal laten leeren en ze zulk onderwijs doen geven, dat
zij later nuttig werk kunnen verrichten. Wijdt men aan hen meer zorg dan aan andere slaven, dan kan naderhand de een den ander weer leeren. "Zien en spreken ze elkander in geen langen tijd, dan zullen ze in Spanje veel spoediger wat leeren dan hier, en zij zullen veel betere tolken worden. Ik zal intusschen doen, wat ik kan. Daar er tusschen het eene eiland en het andere niet veel gemeenschap is, bestaat er in de wijze, waarop zij spreken, eenig verschil, wat vooral van den afstand
af hangt, waarop zij van elkander wonen. Maar aangezien die eilanden het grootst en het volkrijkst zijn, wier bewoners uit menscheneters bestaan, heb ik gemeend, dat het het best was mannen en vrouwen van deze eilanden naar Spanje te zenden, opdat zij daardoor de barbaarsche gewoonte andere menschen op te eten eenmaal zouden laten varen.
"Door in Spanje zelf de Spaansche taal te leeren, zullen zij veel spoediger gedoopt kunnen worden en zal hun zieleheil bevorderd worden. Het zal voorts een groote zegen voor de Indianen, die de
genoemde wreede gewoonte niet volgen, zijn, als zij ondervinden, dat wij degenen, die hen kwaad doen, vatten en als gevangenen wegvoeren, want zij zijn voor hen zoo bang, dat hun naam alleen schrik verwekt. "Geef Hunnen Majesteiten de verzekering, dat onze komst in dit land en het gezicht van zulk een vloot, de meest gewenschte uitwerking gehad en onze veiligheid voortaan verzekerd hebben. Stellig zullen
alle bewoners van dit eiland, en van de eilanden er om heen, zich spoedig onderwerpen, wanneer zij zien, dat wij de goedwilligen zacht behandelen, maar tevens de kwaad- en onwilligen straffen. Binnenkort zullen H.H. M.M. hen onder hun onderdanen kunnen tellen."
Op dit gedeelte van den brief antwoordden de souvereinen: "Laat Columbus weten, wat met de menscheneters, die naar Spanje gekomen zijn, gebeurd is. Hij heeft goed gehandeld, en zijn raad is uitstekend. Maar laat hij toch alle mogelijke middelen aanwenden, om ze tot ons geloof te bekeeren, niet slechts daar, maar op alle eilanden, waar het lot
hem brengen zal." Over hetzelfde onderwerp schrijft Columbus verder: "Zeg H.H. M.M. dat het mij voor het heil van de zielen van bedoelde menscheneters, en ook voor de bewoners van dit eiland, wenschelijk voorkomt, dat er een zoo groot mogelijk aantal naar Spanje gezonden wordt, en dat zij op die wijze H.H. M.M. van grooten dienst kunnen worden. Aan de groote behoefte denkende, die wij aan slachtvee, last- en trekdieren hebben, zoowel ter voeding als tot hulp voor de
volkplanters, dienen de Koning en de Koningin elk jaar een voldoend aantal karveelen te zenden met die dieren, opdat de velden bevolkt en bebouwd worden.
"Dit vee kon voor rekening van de overbrengers tegen een matigen prijs worden gekocht, en de laatsten konden met slaven, die van de Caraïben komen en toch echte wilden zijn, betaald worden. Deze slaven zijn voor alle werk geschikt, flink gebouwd, hebben veel gezond verstand en zullen, wanneer zij hun wreedaardige gewoonten hebben laten varen, veel beter zijn dan andere slaven. Als ze hun land uit zijn, zullen
ze die ruwheden ook niet meer bedrijven. Door middel van roeibooten, die ik mij voorstel te maken, zal het gemakkelijk zijn velen van die wilden te krijgen. Hunne Majesteiten konden ook belasting leggen op den invoer van slaven in Spanje. Vraag om antwoord op dit punt, en breng het mij, opdat ik de noodige maatregelen kan nemen, wanneer mijn voorstel hun goedkeuring mag wegdragen."
Dit voorstel, dat het hof van Spanje tot den slavenhandel brengen zou, verraste Ferdinand en Isabella. Zij werden er door tot nadenken gebracht. Zij antwoordden eenigszins onbepaald: "De overweging van dit onderwerp is voor eenigen tijd uitgesteld geworden, en wij zien andere voorstellen van maatregelen, met betrekking tot de eilanden te nemen, te gemoet."
Deze gevoelens van Columbus, die in onze verlichte 19e eeuw zoo verafschuwd worden, waren met de destijds algemeen heerschende opvattingen volmaakt in overeenstemming. Zulke verkeerde begrippen van
menschenrecht heerschten vóór 400 jaren bijna overal. De bekeering van de heidenen achtte men zóo belangrijk, dat men daarvoor alle middelen, eerlijke of oneerlijke, moest aangrijpen. Een rechtvaardig oordeel
neemt de onwetendheid van de eeuw in aanmerking, waarin Columbus leefde. Hij geloofde werkelijk, dat hij voor een maatregel van barmhartigheid pleitte, die een groote zegen voor de arme Caraïbiërs
en voor de menschheid in 't algemeen zou blijken te wezen. Hieruit ziet men tevens, hoe menschen, die het oprecht meenen, zich zelf door valsche redeneeringen kunnen bedriegen. Het doet ons goed, dat Ferdinand en Isabella het verleidelijk voorstel
na rijpe overweging verwierpen. Het bevatte anders veel, waardoor het aanlokkelijk voor hen moest zijn. Op deze wijze toch konden de koloniën van levend vee uit Spanje worden voorzien, zonder dat het iets kostte,
ja, zelfs trok men er voordeel van. De rustige eilandbewoners zouden van de strooptochten van die woeste menscheneters, die hun voortdurend schrik aanjoegen, bevrijd worden. De koninklijke schatkist zou er wel bij varen, zoodat de heerschzuchtige souvereinen in staat zouden zijn veel te doen voor de bevordering van de belangen hunner landen. En, wat nog de kroon op alles zette, een groot aantal wilden kwam onder
den invloed van christelijke instellingen, zoodat hun zielen konden gered worden. De terugkeerende vloot stak den 2den Februari 1494 in zee. Drie en een halve eeuw na de stichting van de stad Isabella kwam T.S. Hencken
daar. Het volgende is belangwekkend, omdat het ons leert, hoe het er toen uitzag. "Thans is Isabella bijna geheel bedekt door bosch. Men ziet er nog de pilaren van de kerk, eenige overblijfselen van de koninklijke magazijnen en een deel van Columbus' woning, alles van gehouwen steen gebouwd. Een klein fort, dat nu in puin ligt, valt ook terstond in 't oog. Een weinig noordwaarts staat nog een ronde, gemetselde pilaar,
die nagenoeg tien voet hoog en dik is, waarop een houten galerij schijnt gestaan te hebben, in 't midden waarvan de Spaansche vlag wapperde. Ik heb de overblijfselen van een ijzeren klamp, die in den
muur zat en diende, om den vlaggestok vast te zetten, gevonden en er uitgetrokken, en zend ze nu aan u als een herinnering aan de intrede van de beschaving in de Nieuwe wereld. Die overblijfselen hebben nu
bijna 350 jaren aan weer en wind blootgestaan." Door de geestkracht van Columbus ging het werk goed vooruit, en de stad Isabella nam spoedig groote afmetingen aan. Wij moeten er evenwel bijvoegen, dat de huizen niet best afgewerkt kunnen zijn geweest. Den 7den December kwam Columbus in de haven. In twee maanden tijd, den 6den Februari, was de kerk gereed en werd zij ingewijd. Twaalf
geestelijken, onder hun geestelijk opperhoofd, broeder Boyle, woonden de indrukwekkende plechtigheid bij. Het weggaan van de vloot was een somber uur voor de achterblijvenden. Een algemeen gevoel van ontevredenheid heerschte in de kolonie, want velen waren teleurgesteld. Sommigen verweten zich zelf, dat zij hun te huis in Spanje voor een wildernis, waar slechts wilden woonden, hadden verlaten. Anderen waren boos op den admiraal, wiens onware voorstellingen hen, naar zij zeiden, in het verderf hadden gelokt. Overal hoorde men gemor, dat tot verwijtingen
en bittere twisten oversloeg. Het vertrek der schepen maakte veler oogen vochtig, en donkerder wolken van droefgeestigheid schenen over de kolonie te trekken, toen het laatste schip aan den horizon uit het gezicht verdween.
Onder de gelukzoekers bevond zich een trotsch en verwaand man, die aan het Spaansche hof had verkeerd, wiens aanmatigingen dikwijls tot oneenigheid met den admiraal hadden geleid. Zijn naam was Bernal Diaz de Pisa. Hij bracht een groot aantal ontevredenen tot opstand. Hun plan was één of alle schepen machtig te worden, daarmede naar Spanje
terug te keeren, en dan gezamenlijk ernstige klachten tegen Columbus in te brengen. Zij hoopten, dat er zóó velen aan de samenzwering zouden deelnemen, dat zij al de vijf schepen konden bemachtigen.
De opstand werd echter ontdekt, en de hoofdschuldigen gevangen genomen. Bij het verhoor, dat volgde, vond men een schandelijk schotschrift, dat door Bernal Diaz geschreven was, en vol laster en onwaarheden stond. Diaz was een hooggeplaatst man. Columbus
was voorzichtig genoeg hem niet in verhoor te nemen aan zijn eigen hof, waar Diaz misschien grooten invloed had, maar zond hem met het oproerig handschrift naar Spanje. Sommigen van de minder aanzienlijke opstandelingen werden gestraft, maar zachter dan hun overtreding verdiende. Om een vernieuwde poging te beletten, werden alle kanonnen met toebehooren op één na van de schepen verwijderd, en dit ééne werd aan personen toevertrouwd, op wier trouw men stellig rekenen kon.
Columbus was geen Spanjaard, maar een Genueesch burger, en, omdat hij dus een vreemdeling was, had men een vooroordeel tegen hem. De trotsche Spanjaarden spanden samen, om hem ten val te brengen. Onder de inlanders had hij geen vrienden, die hem hielpen. Ofschoon het voor de algemeene veiligheid noodig was, dat de verstoorders van de openbare rust niet ongestraft bleven, ging hij zoo zacht en toegevend mogelijk
met de weerspannigen om; maar toch beschuldigden zijn tegenstanders hem van willekeur en wraakgierigheid. Voor iemand, die macht heeft, is het onmogelijk zich voor laster te vrijwaren. Evenzoo werd George Washington, gedurende zijn geheele loopbaan, aangevallen alsof hij een duivel was. De vijandschap, die men tegen Columbus opwekte, ging
over in haat, die duurde, tot hij rust vond in het graf. En na verloop van drie en een halve eeuw vervolgen de venijnige aanvallen hem nog. Columbus besloot een werkzaam deel aan de zaken te nemen, en naar de mijnen te gaan, om de ontginningen daar zelf te leiden. Het bestuur te Isabella liet hij, tijdens zijn afwezigheid, aan zijn broeder,
Don Diego, over. Las Casas, die dezen van nabij kende, stelt hem voor als een zeer beminnelijk en oprecht man, die den vrede liefhad, zich goed gedroeg, en matig en eenvoudig was, zoowel in spijs en drank als in kleeding. Aangezien Columbus het gebied van een vermaard krijgsman zou betreden, die reeds getoond had een doodvijand van de Spanjaarden te zijn, was het noodig, dat hij een krijgsmacht meebracht, niet alleen
groot genoeg, om aanvallen af te slaan, maar ook om de inlanders de overtuiging te geven, dat de macht van de vreemden onweerstaanbaar was. Voor hen, die in het fort achtergebleven waren, zou het niet moeilijk zijn zich tegen elken aanval te verdedigen. Daarom nam hij bijna alle geschikte manschappen en al de paarden, die gemist konden worden, mee. De ondervinding had hem geleerd, welken diepen indruk
uiterlijk vertoon op de wilden maakte. Daarom stelde hij met al den militairen glans, dien hij aanbrengen kon, zijn macht in slagorde. Den 12en Maart 1494 trok het leger, dat uit 400 man bestond, op. Het krijgsvolk, dat een verblindende wapenrusting aanhad, glad geschuurde wapenen en vergulde banieren droeg, en trompetgeschal aanhief, dat door de bosschen weerklonk, moet aan de inboorlingen wel het denkbeeld van
bovennatuurlijke en onweerstaanbare macht hebben ingeboezemd. Al de aanvoerders waren rijk gekleed, en zaten op sierlijk getooide paarden. Het was een heldere en prachtige dag, toen de troep door een bebloemde vlakte naar de verafgelegen heuvels trok. Tegen den
avond kwamen zij aan den ingang van een rotsachtigen weg door de bergen. Zij zetten zich op de groene zoden neer en sliepen heerlijk, onder het inademen van de geurige lucht. Een nauw Indiaansch voetpad leidde door de hobbelige bergpassen.
Verscheiden stoutmoedige ridders reden als pioniers vooruit, om hinderpalen uit den weg te ruimen. Het zoo gebaande pad werd de Heerenweg genoemd ter eere van de ridders, die het hadden gemaakt. Toen zij de hoogte bereikt hadden, opende zich voor hen hetzelfde heerlijke uitzicht, dat Ojeda en zijn metgezellen met vreugde hadden aanschouwd. Aan hun voeten lag een uitgestrekte en schoone vlakte, beschilderd
en ingelegd als het ware met al den rijkdom van een tropischen plantengroei. De prachtige bosschen vertoonden die mengeling van schoonheid en grootschheid van plantenvormen, die men alleen in dat heerlijk klimaat aantreft. Palmboomen van aanzienlijke hoogte en breed getakte mahonieboomen rezen te midden van een wildernis van verschillend gebladerte op. De frischheid en de groene kleur werden door talrijke rivieren bewaard, die glinsterend door laag boschland
kronkelden; terwijl zich onderscheidene dorpen en gehuchten uit de boomen verhieven, en de rook van andere midden uit de bosschen opsteeg, waaruit bleek, dat er een talrijke bevolking moest zijn. Het weelderige landschap strekte zich zoo ver uit als het oog reikte, tot dat het zich aan den horizon verloor. Met verrukking staarden de Spanjaarden op dit schoone en rijke land, dat hun denkbeeld van een aardsch paradijs
scheen te verwezenlijken. Columbus was getroffen door zijn groote uitgestrektheid, en noemde het de Vega Real of koninklijke vlakte. Deze thans eenzame weg wordt nog een enkele maal door hedendaagsche reizigers betreden. Hij vormt den eenig bruikbaren bergpas van den Monte Christo en blijft een eenzaam, hobbelig voetpad, dat langs rotsen en afgronden slingert. De naam er van is Marney-pas. Het schoone eiland
heeft van de soort van beschaving, die de Spanjaarden er invoerden, verbazend geleden. Eenzaamheid, verwoesting en vreeselijke armoede heerschen nu daar, waar eenmaal Columbus meende op een aardsch
paradijs te staren, en waar de lachende dorpen van de Haïtiërs het landschap vervroolijkten. Met veel praalvertoon en onder trompetgeschal trok het schitterend leger door de vlakte. De inboorlingen konden niet anders dan de wondervolle pracht als iets bovennatuurlijks aanzien. Las Casas zegt, dat zij in 't eerst den ruiter en zijn paard voor één dier hielden. Vol
schrik liepen haast alle Indianen weg. Soms overwon Columbus hun angst door vriendelijkheid. Inlandsche tolken werden vooruit gezonden, om de verzekering te geven, dat hun geen leed zou geschieden. Ook werden hun geschenken aangeboden, die ze met verbazing en vreugde aannamen. Voedsel werd door hen als gemeen eigendom beschouwd. Elk
huis kon men binnengaan, om er te gebruiken wat men wilde. Maar in schijnbare tegenspraak hiermede, verhaalt men, dat andere bijzondere eigendommen voor heilig werden gehouden. Diefstal werd met groote gestrengheid gestraft. Een marsch van 15 mijlen bracht hen aan een groote rivier, die Columbus den Rietstroom noemde. Het bleek het bovenwater te zijn van denzelfden
stroom, wiens mond Columbus de Goudrivier had genoemd. Aan deze groene oevers brachten de gelukzoekers, nadat ze een bad genomen hadden, den nacht in prachtige tenten door. Den volgenden morgen staken ze met vlotten de rivier over, en de paarden zwommen er door. Nog twee
dagen lang zetten ze den tocht door de schoone vlakte voort. Vele dorpen trokken ze door, waarvan de inwoners eerst altijd op de vlucht gingen. Tegen den avond van den tweeden dag bereikten zij de
noordelijke hellingen van de goudbergen van Cibao. Den volgenden morgen begonnen zij die te beklimmen langs donkere holle wegen en oneffen rotsen, waar de paarden niet dan met moeite bestuurd konden worden. Toen zij den top bereikt hadden, kregen ze
weer een verrukkelijk gezicht. Als een frisch groen meer breidde de vlakte zich voor hen uit. Naar de schatting van Las Casas was zij 240 mijlen lang en 70 breed. Zij waren nu midden in het goudland. De toppen van de bergen boden slechts een droevig tooneel van dorheid en verwoesting aan. De plantengroei was gering en men zag haast geen bloempje. De kanten waren met pijnboomen bedekt. De Spanjaarden
namen echter met dit akelig tooneel genoegen, omdat zij in het zand glinsterend stofgoud vonden, en daaruit opmaakten, dat de bergen onuitputtelijke bronnen van rijkdom verborgen hielden.
Ongeveer 50 of 60 mijlen waren deze onderzoekers nu van Isabella verwijderd. Columbus zocht nu een geschikte plek voor een kamp op. Hij bouwde een houten fort, dat hij, misschien voor de aardigheid St. Thomas noemde, als een zacht verwijt voor hen, die niet gelooven
wilden, dat men eenig goud zou vinden vóór dat hun oogen het gezien en hun handen het getast hadden.
NEGENDE HOOFDSTUK. DE KUST VAN CUBA WORDT ONDERZOCHT. Terwijl Columbus het fort St. Thomas bouwde, zond hij eenige manschappen uit, om het omliggende land te onderzoeken. Zij waren goed gewapend, en werden door een dapperen, jongen ridder aangevoerd, die Juan de Luxan heette. Zij doorkruisten de provincie Caonabo, en 't kwam hun voor, dat zij nagenoeg zoo groot was als Portugal. Aan de oevers van alle rivieren vonden ze kleine stukjes goud. Geen woorden
genoeg konden ze vinden om de vruchtbaarheid en de pracht van 't land te beschrijven. In 't fort was een bezetting van 56 man achtergebleven. Er was een begin gemaakt met de ontginning der mijnen, en nu meende Columbus naar Isabella terug te kunnen keeren. Hij kwam er den 29sten Maart aan,
en bracht gunstige berichten mee, ten aanzien van de vooruitzichten om goud te krijgen. Spoedig evenwel werd hem meegedeeld, dat de Indianen te St. Thomas zeer vijandig waren geworden. Dit kwam,
omdat de beginsellooze Spanjaarden begonnen waren, zoodra zij niet meer door Columbus' tegenwoordigheid in bedwang werden gehouden, de inlanders te plunderen, en hun vrouwen en dochters aan groote
beleedigingen bloot te stellen. Caonabo kende hen maar al te wel, en daarom had hij hen met groot leedwezen op zijn bergen zien komen. Dat er vrees behoefde te bestaan voor hun vijandschap geloofde Columbus niet, en daarom bepaalde hij er zich slechts toe een kleine versterking van oorlogs- en mondbehoeften naar het fort te zenden. Maar wel bestond
er reden voor hem zelf, om ongerust te wezen over de ontevredenheid, het gemor en de vijandige stemming, die hij te Isabella steeds grooter zag worden, en die zich in daden tegenover hem lucht gaven. Er waren
vele zieken, en, behalve, dat de geneesmiddelen op waren, kregen ze het rechte voedsel niet. Met eenige verwondering lazen wij, dat de kolonisten zich niet aan het eten van de inlanders konden gewennen. Vrees voor een hongersnood maakte het noodig het volk op
rantsoen te zetten. Dit gaf tot veel gemor aanleiding, en niemand klaagde luider en bitterder dan het hoofd der Spaansche geestelijken, "vader" Boyle.
De geestelijken en aanzienlijken waren kwaad, omdat Columbus geen onderscheid in rang kende, waar het op plichtsbetrachting en de verrichting van 't dagelijksch werk aankwam. Het bestaan zelf van de
kolonie eischte, dat er molens gebouwd en andere werkzaamheden voor 't openbaar welzijn verricht werden. Allen zonder onderscheid moesten helpen. De trotsche Spaansche grooten waren verontwaardigd en kwamen
in verzet. Zij scholden hem uit voor fortuinzoeker, en geen vriend bleef hem over. Columbus was een groot voorstander van orde en tucht, en werd hierin geleid door den natuurlijken drang van zijn krachtigen geest. Maar hij, die van Genua kwam, waar arbeid in eer werd gehouden, hield misschien geen rekening genoeg met de verbazende trotschheid van de Spaansche edelen. Zij beschouwden het werken als het verachtelijk lot voor de zonen van laaggeborenen. Vele jonge ridders, die op de krijgsvelden van Grenada roem hadden ingeoogst, hadden den tocht naar de Nieuwe
wereld meegemaakt met hersenschimmige denkbeelden van rijkdommen, die hun daar zouden toevloeien. Op kasteelen moesten zij wonen, paardrijden en boven de Spaansche vorsten uitsteken in het aantal gedweëe dienstbaren, in pracht en in grondbezit. Velen van deze jongelieden hadden ongetwijfeld het land verlaten in de hoop, dat zij
zich door heldendaden en ridderlijke avonturen konden onderscheiden, en in Indië de krijgsbedrijven konden voortzetten, waarmee in de jongste oorlogen te Grenada een begin gemaakt was. Anderen waren in hun jeugd vertroeteld, in weelde opgevoed en weinig bestand tegen de
gevaren aan het zeeleven verbonden en tegen de vermoeienissen op het land. Even weinig waren zij bestand tegen de gevaren, de verliezen, de tegenspoeden en alles, waaraan men blootstaat, wanneer men zich in een wildernis vestigt. Hadden zij 't ongeluk ziek te worden,
dan viel er al spoedig aan hun toestand niets te verbeteren, en bleek het lichamelijk lijden nog door die van 't hart verergerd te worden. Zij leden onder de bitterheid van gekwetsten trots en onder de ziekelijke zwaarmoedigheid van bedrogen hoop. Aan hun ziekbed misten zij die teedere zorg en verzachtende oplettendheid, waaraan zij gewend waren. En zij daalden ten grave met al de somberheid aan de wanhoop
eigen, den dag verwenschende, waarop zij hun vaderland verlaten hadden. Ferdinand en Isabella spoorden Columbus tot de voortzetting van zijn ontdekkingsreizen aan. Er opende zich naar allen schijn een wijde en onbekende wereld voor hem, en niemand kon weten, welke wonderen zich zouden openbaren. De telkens grooter wordende bezwaren maakten, dat Columbus het best vond de kolonisten op deze tochten te
scheiden. Daarom zond hij een groot aantal uit, om het binnenland te gaan onderzoeken. Iedereen, die gezond was, niet op zieken behoefde te passen en geen dienst had, behoorde tot dit getal. Ook gingen 250 kruisboogschutters, 110 handbuksschutters, 16 ruiters en 20
officieren mee. Het bevel er over werd gevoerd door Peter Margarite, een vriend van Columbus en een van de beroemdste ridders van de orde van Santiago. Ojeda was bij de mijnen als hoofdopzichter gebleven. Columbus gaf Margarite zeer uitvoerige voorschriften. Zij leggen het getuigenis af van zijn gezond oordeel, zijn menschlievendheid en zijn edel streven, om nuttig te zijn. De oprechtheid van Columbus is boven allen twijfel verheven. In dit geschrift zegt hij: "Behandel de Indianen met de grootste vriendelijkheid. Bescherm hen tegen onrecht en beleedigingen. Betaal alles ruim, wat gij van hen krijgt
voor het onderhoud van de troepen. Stel alles in het werk, om hun vertrouwen, hun vriendschap te verwerven. Maken de behoeften van het leger het volstrekt noodzakelijk, dat gij van hen neemt, wat zij niet willen afstaan, doe het dan zoo zacht mogelijk en poog hen door vriendelijkheid en bewijzen van genegenheid te troosten. Vergeet het nooit, dat Hunne Majesteiten meer op de bekeering van de wilden gesteld
zijn, dan op de voordeelen, die zij van hen zouden kunnen trekken." Al deze verstandige voorschriften sloeg Margarite in den wind. Voorspoed en geluk zouden het gevolg van hun getrouwe naleving zijn geworden. De laagheid van dezen troep Spanjaarden werd nu de aanleiding tot oorlog en ellende. De Indianen werden uitgeroeid,
Spanje geschandvlekt, de menschheid onteerd en Columbus zelf moest onophoudelijk de gemeenste en laagste verwijtingen hooren. Het opperhoofd Caonabo was een beslist vijand; en daarbij schrander en sluw. Zijn tocht ter vernieling van het Spaansche garnizoen op La Navidad was met groote bekwaamheid en volkomen goeden uitslag volbracht. Nu bleek het duidelijk, dat hij een macht bijeen verzamelde,
om de Spanjaarden te verdelgen, die op zijn gebied waren gekomen en zich in het fort St. Thomas trachtten te verschansen. Beklagenswaardig is 't lot van den mensch. Niemand kan het dit opperhoofd kwalijk nemen,
dat hij de Spanjaarden uit zijn land wilde jagen, die hun slecht karakter reeds hadden getoond in de behandeling van de inlanders. Aan den anderen kant kan niemand het in Columbus afkeuren, dat hij zijn volk naar de binnenlanden zond, om goud te zoeken. Columbus kon met een goed geweten God bidden om bescherming voor zijn kolonie. Even oprecht kon Caonabo de goden, die hij aanbad, smeeken de vreemde
indringers te verdrijven. Ojeda begeleidde het leger met omstreeks 400 man naar St. Thomas, waar hij Margarite moest helpen en de onderzoekers, achterlaten. Er werd verteld, dat vijf Indianen drie Spanjaarden bestolen hadden. Hun
opperhoofd werd beschuldigd van den buit met hen te hebben gedeeld, in plaats van hen te straffen. Ojeda kreeg een Indiaan in handen, die gezegd werd een van de dieven te zijn. Op een openbaar plein van een Indiaansch dorp sneed men hem de ooren af. Toen hij het opperhoofd, diens zoon en neef gevangen genomen had, zond hij ze allen geboeid naar Isabella.
Een naburig opperhoofd, die bewijzen van genegenheid jegens de Spanjaarden gegeven had, verzelde de van angst bevende gevangenen, om vergiffenis voor hen af te smeeken. Columbus sloeg geen acht
op die vriendelijke tusschenkomst. Hij liet de drie gevangenen met de handen op den rug gebonden naar het openbaar plein brengen, door den omroeper hun misdaad bekend maken, en gaf daarna bevel de
dieven te onthoofden. Om dit wreede bevel te rechtvaardigen, zegt Oviedo, dat het noodig was schrik onder de inboorlingen te brengen, opdat dezen eerbied kregen voor het eigendom van de blanken, en dat de Indianen zelf iemand, die zich aan diefstal had schuldig gemaakt, een puntigen haak van onderen tusschen de ruggegraat en de huid staken, zoodat hij tusschen de schouders uitkwam, of m.e.w. hem spietsten.
Columbus had echter geen plan de wreede straf werkelijk te doen ondergaan. Toen men op de strafplaats gekomen was, stortte het bevriende opperhoofd bittere tranen en smeekte op de roerendste wijze,
om het levensbehoud van zijn vrienden. Hij verzekerde den admiraal, dat het niet meer gebeuren zou, en dat hij zijn eigen leven tot pand gaf, als er opnieuw een misdaad plaats greep. De admiraal gaf toe, en de gevangenen werden in vrijheid gesteld. Columbus had reeds eenigen tijd geleden toebereidselen gemaakt, om onder zeil te gaan en met zijn smaldeel nieuwe rijken op te zoeken. Zooals bekend is hield hij Cuba niet voor een eiland, maar voor een deel van het vasteland van Azië. Nu was zijn plan langs de zuidelijke kust van deze groote kaap te kruisen.
De kleine vloot vertrok den 14en April 1494. Het bestuur over Isabella werd aan Don Diego Columbus toevertrouwd. De schepen voeren naar 't Westen, hielden zich een korten tijd te Monte Christo op, en wierpen het anker in de baai van La Navidad. Toen zij den 29sten de westelijkste kaap van St. Domingo omtrokken, kwamen de schepen in
't gezicht van de oostelijkste kaap van Cuba, die Columbus Alpha en Omega genoemd had, doch nu Kaap Ataysi heet. Het kanaal tusschen de twee eilanden is ongeveer 54 mijlen breed. Toen men dit kanaal door
was en omstreeks 60 mijlen langs de zuidkust van Cuba gevaren had, wierp men het anker in een ruime haven, waaraan Columbus den naam van Puerto Grande gaf, maar die nu Guantanamo genoemd wordt.
Aan de hutten en de vuren op het strand kon men zien, dat er menschen woonden. Met eenige goed gewapenden ging Columbus aan land, maar er was
alweer geen enkel Indiaan te zien, omdat allen naar de bergen gevlucht waren. De Spanjaarden vonden voedsel in overvloed, waarvan zij gretig gebruik maakten. Juist toen de maaltijd afgeloopen was, zagen zij op een afgelegen hoogte een zeventigtal Indianen, die hen met vrees en verwondering bekeken. Toen zij naar hen toegingen, namen allen de vlucht, behalve één. Deze waagde het te blijven staan, ofschoon ook hij zich gereed maakte, om ieder oogenblik weg te kunnen loopen.
Columbus zond een Indiaanschen tolk met geschenken vooruit. De dappere jongeling liep naar hem toe. Nadat hij de geschenken ontvangen had, en hem verzekerd was, dat de Spanjaarden niets kwaads in den zin hadden, haastte hij zich zijn landgenooten hiermee in kennis te stellen. Dezen keerden daarop, hoewel beschroomd en met aarzelende
schreden, terug. Zij waren naar het strand gegaan, om visch te vangen, daar het opperhoofd een naburig opperhoofd een groot feestmaal wilde aanrichten. Om de visch goed te houden was ze gebraden. De hongerige Spanjaarden aten alles op, maar de vriendelijke inboorlingen
zeiden, dat dit niets was, want als zij één nacht vischten, zou het verlies weer hersteld zijn. Maar Columbus stond er met zijn gewone rechtvaardigheid op, dat alles zou worden betaald. Zoo scheidden de Spanjaarden en de Cubanen, ingenomen met elkander. Toen men nog westelijker zeilde, scheen het land vruchtbaarder en volkrijker te worden. Aan het strand stond het vol mannen, vrouwen en
kinderen, die met verwondering naar de vloot keken, welke langzaam op een afstand van een mijl voortdreef. Eindelijk bleef zij in een andere groote baai liggen, waar omheen men schoone natuurtafereelen zag. Het was de baai, die nu St. Jago heet. Hier bracht de vloot den geheelen nacht door. De inboorlingen schenen alle vrees voor de vreemdelingen te hebben afgelegd, kwamen in grooten getale met hun kano's naar de
schepen, en boden den Spanjaarden de grootste gastvrijheid aan. Overal vroeg Columbus naar goud, en bijna altijd wezen de inboorlingen naar het Zuiden, te kennen gevende, dat daar een eiland was, waar dit kostbaar erts in overvloed aangetroffen werd. Den 3en Maart wendde Columbus den steven derwaarts, en verliet hij Cuba's kust om dit eiland op te sporen. Na een vaart van eenige uren verhieven aan den
horizon prachtige bergen hun kruin, alsof het wolken waren. Toen de zeelieden er dichter bij kwamen, kregen zij een wonderschoon tooneel te aanschouwen. Gewoon als zij waren weelderige paradijzen te zien,
die uit de glinsterende golven oprezen, konden zij zich hier niet weerhouden hun verwondering door gejuich lucht te geven bij het zien van de bergen en dalen, de bosschen en schilderachtige dorpen, die in telkens afwisselende bevalligheid hun oogen verrukten.
Toen zij dicht bij de kust waren, ging de wind liggen en lag de vloot geheel stil als op een zee van glas. Terstond kwamen ongeveer 70 met krijgslieden bezette booten naar hen toe. Deze onverschrokken mannen, die zich beschilderd en met veeren versierd hadden, zwaaiden hun lansen en gilden vreeselijk. Bij het nader komen stelden zij zich in slagorde, als om een verschijning aan te vallen, die in hun oog met bovenaardsche macht was bekleed.
Zoodra een van de kano's gepraaid kon worden, begon een inlandsche tolk met de Indianen te spreken. Zijn verzekering, dat de vreemdelingen hun vriendschap zochten, en de krachtige invloed van naar hun schatting kostbare geschenken, die in hun boot gebracht werden, ontwapenden
hun vijandelijke houding. De kleine vloot van kano's ging om de Spaansche schepen liggen, ten einde naar de zonderlinge verhalen der Spanjaarden te luisteren. Intusschen wakkerde de wind aan en kon het smaldeel ongemoeid zijn reis vervolgen. Het is wel waarschijnlijk, dat, als Columbus er niet geweest was, de Spaansche matrozen zich zouden
vermaakt hebben met de uitwerking te zien, die eenige kanonschoten met schroot gemaakt hadden op die dicht opeengepakte menigte in de kano's. Een korte vaart bracht hen in een ruime haven, waar Columbus bleef liggen. Hij noemde haar de St. Gloria-baai, ging aan land, stak een kruis en de Spaansche vlag in den grond, en nam het eiland in naam van zijn vorsten in bezit. Eén van de schepen had een lek bekomen, en moest
noodig gekield en gekalefaat worden. Daar verschenen onverwachts twee groote kano's, met krijgslieden bemand, die hun werpspiesen naar het scheepsvolk slingerden; maar niemand kreeg letsel, omdat de afstand nog te groot was. Al heel spoedig stond het strand vol menschen, als razenden met hun wapens zwaaiende. Zij gilden ook akelig. Deze inboorlingen schenen niet zoo zachtmoedig te zijn als die van Cuba en Haïti, maar vertoonden veeleer al de wildheid van de
Caraïbiërs. Het werd vóór alles noodig het schip te kielhalen, en tevens vond Columbus het goed de wilden bang te maken, opdat zij van deze gelegenheid geen voordeel trekken en hem niet met een groote overmacht aanvallen zouden. Of dit plan wijs was is een zaak, waarover men verschillend kan denken; maar geen rechtschapen man zal volhouden,
dat leedvermaak hem tot deze daad leidde. Columbus kon met zijn schepen niet dicht aan wal komen, omdat het water zoo laag stond. Daarom zond hij verschillende goed bemande en gewapende booten uit. Of zij gewacht hebben tot ze aangevallen werden, is onbekend; maar zeker is het, dat zij de Indianen de volle laag gaven, zoodra de afstand het schieten met de kruisbogen toeliet. Velen
werden gewond, en de anderen namen de vlucht. De Spanjaarden, die maliënkolders aan hadden, waar de pijlen der wilden niet door konden dringen, gaven de vluchtenden nog eens de volle laag, en lieten tegelijkertijd een sterken bloedhond op hen los, die hen met de kracht en de wreedheid van een tijger vervolgde en velen verscheurde.
Dit is de eerste maal, dat wij van het gebruik van den vreeselijken bloedhond melding vinden gemaakt bij de mishandeling van de Indianen. Daar nu de ontstelde bewoners geheel uiteen waren gedreven, en men geen vrees behoefde te koesteren, dat zij weer terug zouden komen, nam Columbus ook dit eiland in bezit, en noemde
het Santiago. Gelukkig heeft het later den veel schooneren en meer Indiaansch klinkenden naam van Jamaica gekregen. Het is een onaangename herinnering, dat de komst van Europeanen op dit eiland vergezeld is gegaan van zooveel wreedheid. In den verderen loop van dezen noodlottigen dag zag men geen Indianen meer. Den volgenden morgen echter liepen er in de verte zes
inboorlingen, die al dichter en dichter bij de Spanjaarden kwamen en teekens van vriendschap gaven. De admiraal ontving hen minzaam, en toen vertelden zij, dat zij namens vele opperhoofden vredesvoorslagen kwamen aanbieden. Columbus antwoordde, dat het zijn ernstige begeerte was, om met alle menschen in vrede te leven, maar dat hij tevens de macht
bezat hen met de grootste gestrengheid te straffen, wanneer het bleek, dat zij verraders waren. Ten bewijze dat hij een broederlijk verkeer wenschte, gaf hij vele geschenken voor de opperhoofden mee, waarop hij wist, dat zij den hoogsten prijs stelden. Wie kan de waarde schatten, die een geslepen mes voor een wilde heeft, wanneer hij zijn boog en pijlen steeds met steenen snijden moest? De Indianen waren juist als kinderen, want op eenmaal hield alle
vijandelijkheid op. In groote menigte kwamen zij op de werf, waar Columbus zijn schepen kalefaatte. Drie dagen lang, ging men op de vriendelijkste wijze met elkaar om. Maar deze Indianen waren stellig zeer oorlogzuchtig. Zij hadden geduchte wapenen, en hun kano's waren uit den stam van een enkelen mahonieboom heel kunstig gemaakt. Columbus nam van een er van de maat, en bevond, dat de lengte 96, en de breedte
8 voet bedroeg. Toen de schepen hersteld waren, en men drinkwater ingenomen had, zette men de kustvaart naar 't Westen voort. Er woei een zachte bries, en het water was zóó doorschijnend, dat men de steentjes, die vele vademen diep lagen, zien kon. Terwijl de karveelen langzaam voortgingen, hadden zij menigmaal de kano's van de wilden om zich heen. Uit elke
baai, van elke rivier en elke landtong schoten zij toe. Het eiland scheen zeer bevolkt en alle bewoners waren vriendelijk en begeerig, om tot elken prijs eenige Europeesche sieraden te krijgen. Columbus vroeg maar altijd om goud; doch men vond niets, en hoorde er zelfs niet van. Om al die teleurstellingen keerde hij naar wat hij het vasteland van Cuba noemde terug. Maar of 't een eiland was of niet bleef nog onzeker, en daarvan wilde hij zekerheid hebben. Er kwam een Indiaansche jongeling aan boord, die Columbus smeekte, hem mee naar
Spanje te nemen. Misschien werd hij door nieuwsgierigheid gedreven, om de oorden te zien, van waar de zonderlinge vreemden kwamen. De bloedverwanten van dezen jongeling smeekten hem op de aandoenlijkste wijze, of hij zijn plan wilde laten varen. Maar hij bleef er bij, ofschoon de jonge teergevoelige man tranen stortte, toen hij zijn familie verliet. Na bekomen verlof om mee te gaan, verborg hij zich
in een hoek van 't schip, om geen getuige van de smart der zijnen te wezen. 't Is jammer, dat we naderhand niets meer van hem vernemen.
Den 18en Mei bereikte Columbus de kust van Cuba, en de eerste kaap, waar hij aankwam, noemde hij Cabo de la Cruz. Nog heet die zoo. Hier lag een dorp, waarvan de inwoners, die van Columbus' eerste reis gehoord hadden, hen met de meeste vriendelijkheid ontvingen. Columbus vroeg aan de bekwaamste opperhoofden of Cuba een eiland was. Zij gaven
allen zonder uitzondering hetzelfde ongerijmde antwoord, dat Cuba een eiland was, maar grenzenloos. Niemand, zeiden zij, is er ooit in geslaagd het einde er van te bereiken. Hierdoor werd Columbus in zijn meening versterkt, dat hij bij het vasteland van Azië was. Toen hij de reis naar 't Westen voortzette, dacht hij spoedig bij het
beroemde en schoone rijk van den grooten Khan te zullen komen. Hij voer langs de zuidelijke kust en kwam zoo in een eilanden-zee, waarin honderden eilanden lagen, die zeer in grootte en vorm verschilden en alle prachtig groen waren. De meeste waren onbewoond. De vaarwaters tusschen die eilanden waren even kalm, als het water van een geheel afgesloten bergmeer. De bloemen bloeiden heerlijk, en in de bosschen, op de velden en wateren was het vol van de schoonste vogels, zooals
men die in de heete luchtstreek aantreft. Op een van de grootste eilanden, dat Columbus Santa Marta noemde, ging hij aan land. Men schreef den 22en Mei. Dit eiland was niet onbewoond, maar alle bewoners hadden hun huizen verlaten, om, zooals later bleek, te gaan visschen. Langzaam zeilde Columbus in die nauwe vaarwaters voort, en kwam 50 mijlen verder op den 3en Juni in een groot Indiaansch
dorp. Ook hier werden de vreemdelingen met die minzaamheid ontvangen, die men overal op het eiland Cuba aantrof.
Men verzekerde Columbus opnieuw, dat dit eiland aan de westzijde geen grenzen had. De wind was zeer gunstig, en daar de admiraal zeer gaarne spoedig in de beschaafde rijken van Azië wilde komen, werd de tocht voortgezet. Een watervlakte, waarin geen enkel eiland lag en die wel 100 mijlen lang was, strekte zich voor hen uit. Rechts lag de met bosch bedekte kust van Cuba, en links zag men de wijde,
opene zee. Het was prachtig weer, en de vloot bleef zoo dicht bij de kust, dat de inboorlingen in troepen naar het strand liepen en sommigen zwemmend, anderen in kano's naar de schepen gingen. De zachte nachtwind bracht het gezang en de wilde muziek van de inlanders naar de schepelingen over. Men vermoedde, dat de wilden op die manier de komst van de hemelsche bezoekers vierden.
Die toen zoo volkrijke streek is nu een dorre woestenij. Er leeft niet één afstammeling meer van die Indianen, wier vreedzame woningen destijds de heuvels en de dalen versierden. Humboldt is vóór eenige jaren des nachts ook langs die kust gevaren. Hij schrijft:
"Een groot deel van den nacht bleef ik op het dek. Wat een eenzame kust! Geen licht verraadt het bestaan van een visschershut. Van Batabano af tot Trinadad toe, dat toch een afstand is van 150 mijlen,
ziet men geen enkel dorp. En in de dagen van Columbus was dit land toch bewoond tot aan de kust toe. Maakt men putten in den grond, of komen er door watervloeden gaten in het zand, dan vindt men dikwijls steenen bijlen, koperen vaatwerk, en overblijfsels van de oude bewoners van dit land." Na een tweedaagsche vaart kwam de vloot bij een andere eilandengroep,
maar 't was hier vooral zeer moeilijk en gevaarlijk tevens voor de schepen, om zich door die nauwe en kronkelende wateren een weg te banen. Columbus hield echter maar steeds westwaarts aan. Ieder uur hoopte hij de een of andere aanwijzing te krijgen, waardoor 't zeker was, dat hij het oostelijk keizerrijk naderde. Maar dag aan dag zag hij niets dan naakte wilden en lage hutten. Ook was de tongval van de Indianen in deze verwijderde streken zelfs voor de tolken van Haïti
onverstaanbaar. Door gebaren kon men ook al zeer weinig van hen te weten komen. Columbus maakte er uit op, dat hij langs de stranden van het vasteland van Azië voer.
Alle metgezellen van Columbus, en hiertoe behoorden vele geleerden en ervaren zeelieden, meenden dat er ook uit op te moeten maken. De schepen hadden echter door de lange reis veel geleden; het touwwerk was versleten en de zeilen waren gescheurd. De levensmiddelen raakten op, en hierdoor vooral werden de matrozen ontevreden en morrend. Nieuws zag men niet meer, en ieder wenschte terug te keeren. Columbus zelf
achtte het ongeraden nog langer door te varen. Alle officieren en de knapste mannen liet hij bij zich komen. Eenstemmig verklaarden zij, dat Cuba geen eiland kon wezen, en dat zulk een verbazend groot rijk tot een vastland moest behooren.
De admiraal achtte het van het grootste belang, dat zijn gevoelen door alle schepelingen zou worden gedeeld. Daar hij bewijzen te over had, dat zijne talrijke vijanden geneigd zouden wezen, zijn opgaven onnauwkeurig of wel geheel onjuist te noemen, en zijn ontdekkingen
voor onbeteekenend te houden, wenschte hij voor het feit van de ontdekking zulk een onloochenbaar bewijs te hebben, dat de geheele wereld het erkennen moest. Daarom zond hij een vertrouwd officier naar ieder schip, die ieders gevoelen vragen en eischen moest, dat men de waarheid met een eed bevestigde. Niemand mocht worden overgeslagen van den kapitein af tot den scheepsjongen toe. Aan ieder werd gezegd, dat men, bij den minsten twijfel of het land, dat men nu zag, wel
het vasteland van Indië was, dien twijfel en de reden daarvan moest uitspreken. Later kon dan die zaak behandeld worden. Voorts werd bepaald, dat elke officier een boete van 1000 marevedi [5] betalen zou, en dat een gemeen matroos 100 zweepslagen zou ontvangen en men hem de tong uit den mond snijden zou, als hij later verklaarde, dat hij uit eigenbelang een valsch getuigenis had afgelegd en niet
geloofde, dat men bij een vastland gekomen was. Dit deed Columbus, om te voorkomen, dat sommigen naderhand zouden zeggen: Wij hebben de waarheid niet gezegd; wij waren niet vrij en durfden niet anders. Luim of kwaadwilligheid konden Columbus dan van bedrog beschuldigen, en beweren, dat hij de souvereinen met zijn gewaande ontdekkingen bedriegen wilde.
Deze wreede straf, waarmee de onwetende, bijgeloovige zeelieden, die gemakkelijk waren om te koopen, om een getuigenis af te leggen naar den wensen van Columbus' vijanden, bedreigd werden, doet zien,
hoe bitter hij gestemd was door de telkens tegen hem gesmeede samenzweringen, tegen hem, die men een verwaanden vreemdeling, een "zoon van niemand" noemde. Ofschoon het waar is, dat Columbus geen plan had die straf toe te passen, blijft het toch te bejammeren, dat hij haar liet aankondigen. Het werd een nieuw wapen in de hand
van hen, die gaarne zijn ondergang zagen. De bekwame zeelieden en aardrijkskundigen aan boord bekeken zeer nauwkeurig de kaarten. Na rijpe beraadslaging gaven zij eenstemmig als hun gevoelen te kennen, dat zij het vasteland hadden bereikt. Onder eede verklaarden zij hieraan niet te twijfelen, en tevens, dat zij
langs de bochtige kusten van Cuba meer dan 1000 mijlen hadden afgelegd, en er nog geen eind aan 't land te zien was. Iedereen op de schepen stemde met de algemeene verklaring in. Columbus zelf geloofde ook stellig, dat hij 't vasteland van Azië bereikt had, en heeft in die
overtuiging niet alleen geleefd, maar is er ook in gestorven. Toen deze belangrijke, schriftelijke verklaring werd opgesteld, waren de schepen zoo dicht bij de westelijkste punt van het eiland, dat ze nog maar drie dagen hadden behoeven voort te gaan, om de vergissing te bemerken. Was dit geschied, dan zou de vloot de groote golf van
Mexico vóór zich gehad hebben. Het smaldeel ving den terugtocht aan, en voer langs de kusten in een zuid-oostelijke richting. Weldra kwamen zij bij een groep kleine
eilanden, waarvan de meeste naakte rotsen vormden. De Spanjaarden noemden ze _Cayos_, wat zandbanken of rotsen beduidt. Te midden van al die eilandjes verhief zich een prachtige berg, die tot in de wolken reikte, en een bewijs was, dat daar een zeer groot eiland lag. Columbus gaf zich geen tijd het te onderzoeken, mar bleef eenige
uren in een van de havens, om hout en water in te nemen, en er een kruis en de Spaansche vlag te planten. Hij gaf dit eiland den naam van Evangelista, maar nu heet het Pijnboomen-eiland. Aan vele gevaren stonden ze op dezen tocht bloot door onbekende zeeën, vol rotsen en zandbanken. Ook kregen ze van tijd tot tijd een ongeluk, maar toch zetten ze de reis langs de kusten van Cuba naar 't Oosten
voort. Het scheepsvolk was door het afmattend klimaat, het ongewone voedsel, aanhoudende inspanning en onafgebroken wacht houden, zeer verzwakt. Twee maanden lang hadden ze met moeielijkheden en gevaren geworsteld. Alle versche eetwaren bedierven spoedig door de brandende hitte. De visch moest dadelijk na de vangst gekookt en opgegeten worden. Ieder kreeg niet meer dan één pond beschimmeld brood daags,
benevens een weinig wijn. Den 7en Juli liep Columbus een wonderschoone haven binnen, om zijn uitgeput volk rust te geven. De Indianen onthaalden hen rijkelijk, en Columbus plantte er als naar gewoonte een kruis en de vlag. Den 16en Juli werd het anker alweer gelicht. Men zette koers naar het Zuiden, om naar Hispaniola te gaan. Op die wijde en opene zee kregen
ze zulke stormen, dat de vloot slechts als door een wonder behouden bleef. Geweldige tegenwinden dreven het smaldeel naar Jamaica. Bijna een maand lang moest men hier door die tegenwinden blijven. Haast iederen avond was Columbus genoodzaakt in een van de tallooze havens,
die de kust hier vormt, te ankeren, en menigmaal deed hij dit op dezelfde plek, die hij 's morgens verlaten had. Vijandig waren de inlanders niet meer, want zij brachten overvloed van levensmiddelen en andere benoodigdheden. Ofschoon de bekoring van het nieuwe reeds lang geweken was, verrasten de schoonheid
en vruchtbaarheid van dit heerlijk eiland Columbus toch zeer. De meesterlijke pen van Washington Irving beschrijft één van die natuurtooneelen aldus: "Toen de schepen den volgenden morgen, met een zachten wind in de zeilen, langzaam langs de kust voeren, zagen zij drie kano's, die van een in de baai liggend eiland kwamen. Een van die kano's was groot,
zeer netjes bewerkt en geverfd. Deze was in 't midden, en de andere twee waren iets vooruit. In de eerste zat het opperhoofd met zijn familie, die uit zijn vrouw, twee dochters en vijf zonen bestond. "Een van de dochters, een achttienjarig meisje, had een schoon gelaat en zag er zeer goed uit. Haar zuster was iets jonger. Overeenkomstig de gewoonte van die eilanden waren beiden naakt. Aan den voorsteven
van de kano stond de vaandeldrager van het opperhoofd, in een mantel gehuld, die van verschillend gekleurde veeren gemaakt was. Op zijn hoofd droeg hij een vederbos, en hij had een witte vlag in de hand,
die in den wind wapperde. Twee Indianen, die een kleed droegen, dat dezelfde kleur en denzelfden vorm had, zaten met veeren helmen of hoeden en met geverfde gezichten op de trom te slaan. Een paar anderen hadden hoeden op het hoofd, die heel aardig van groene veeren gemaakt waren, en bliezen op trompetten van mooi, zwart en heel fraai gesneden hout. Nog waren er zes, die groote hoeden op hadden van witte veeren
en de lijfwacht van het opperhoofd schenen te vormen. "Toen het opperhoofd bij het admiraalschip gekomen was, ging hij met den geheelen stoet aan boord. Hij droeg al de kenteekenen van de
koninklijke macht. Een smalle band, met kleine, verschillend gekleurde steentjes, waarvan de meeste groen waren, versierde de slapen, en was op het voorhoofd met een groote gouden speld vastgehecht. Aan zijn ooren hingen met ringetjes van prachtige groene steentjes twee
gouden platen. Hij had een halssnoer om van een soort witte koralen, die daar zeer kostbaar waren, en daaraan hing een groote gouden plaat, die den vorm van een lelie had. Eindelijk behoorde nog tot de koninklijke versierselen een gordel, die evenals de band om het hoofd, van allerlei soort van steenen vervaardigd was. "Zijn vrouw was ongeveer op dezelfde wijs uitgedost, maar zij had nog een katoenen boezelaar voor en katoenen banden om armen en beenen. De dochters hadden geen versieringen aan, behalve de oudste, die tevens
de knapste was. Ook zij droeg een gordel, die geheel met steentjes bezet was, en er hing een plaat aan in den vorm van een klimopblad, die uit veelkleurige steentjes bestond en met katoen omboord was. "Zoodra het opperhoofd aan boord gekomen was, deelde hij aan de officieren en de manschappen geschenken uit, alle voortbrengselen van 't eiland zelf. De admiraal hield zich op dat oogenblik in zijn kajuit
bezig met bidden. Toen hij op het dek verscheen, haastte het opperhoofd zich om hem te ontmoeten en sprak met een opgeruimd gelaat tot hem: "Mijn vriend! ik heb besloten mijn land te verlaten, en met u mee te gaan; want ik heb van de Indianen, die bij u zijn, gehoord, dat de macht van uw souvereinen onwederstaanbaar is; en ook dat gij in hun naam vele volken onderworpen hebt. Al wie gehoorzaamheid weigert, is zeker van gestraft te worden. Gij hebt de kano's en woningen van
de Caraïbiërs vernield, hun krijgslieden verslagen en hun vrouwen en kinderen gevangen genomen. Al deze eilanden vreezen u, want wie kan u weerstaan, nu gij de geheimen van het land en de zwakheid van het volk kent? En daarom wil ik liever met al de mijnen op uwe schepen gaan, uw koning en koningin hulde bewijzen en uw land zien, dan dat
gij al mijn landen neemt." "Toen deze woorden vertaald waren geworden, en Columbus de vrouw, de dochters en de zoons van den cacique zag, en aan de valstrikken dacht, waaraan hun onkunde en eenvoud hen zouden blootstellen, kreeg hij medelijden en besloot hen niet aan hun geboorteland te ontrukken. Daarom liet hij het opperhoofd antwoorden, dat hij hem als
een leenman van zijn vorsten zou beschermen, en dat hij later zijn wenschen zou vervullen, maar nu nog eerst vele landen moest bezoeken vóór hij naar zijn land kon terugkeeren. Daarop keerde het opperhoofd, na met vele verzekeringen van vriendschap afscheid te hebben genomen,
met zijn familie en den geheelen stoet in de kano's naar het eiland terug, en de schepen zetten den tocht weer voort." Columbus had nog een groote reis te doen. Door stormen werd hij
beloopen en de schepen verstrooid, terwijl hij bovendien nog met vele gevaren en tegenspoeden had te kampen. Angst en arbeid hadden hem letterlijk uitgeput. Het harde lot van den minsten matroos had hij gedeeld, en meer dan dat, want als anderen onder het loeien van stormen sliepen, bracht hij slapelooze nachten door en tartte hij het
geweld van den storm alleen. Aller leven hing van hem af, en de wereld verbeidde met verlangen den uitslag van zijn onderneming. Plotseling werd hij door een beroerte getroffen, en op eenmaal had hij zijn
geheugen, zijn gezicht en zijn verstand verloren. In een staat van volkomen bewusteloosheid, in een gevoelloosheid, die met den dood gelijk stond, werd de heldhaftige admiraal in de haven van Isabella gedragen. Wanneer hij van die verdooving in den slaap was overgegaan, waaruit men niet meer ontwaakt, zou het voor hem, om zoo te zeggen,
een geluk zijn geweest. TIENDE HOOFDSTUK. DE TERUGREIS NAAR SPANJE EN DE DERDE REIS. Den 29n September 1494 zeilde de kleine vloot de haven van Isabella binnen, met den bijna dooden en nog geheel en al bewusteloozen admiraal aan boord. Columbus had te Isabella wel veel vijanden, maar toch ook veel vrienden, die zich over zijn lang wegblijven zeer ongerust hadden gemaakt, en zich verheugden, dat hij, ofschoon dan
ook verbazend zwak, teruggekeerd was. Gedurende zijn afwezigheid was zijn teergeliefde, jongste broeder Bartholomeus uit Spanje gekomen, om zich met drie zwaar geladen en van allerlei benoodigheden voorziene schepen bij hem te voegen. Toen Columbus zijn bewustzijn herkreeg,
was hij overgelukkig zijn broeder aan zijn zijde te vinden. Bartholomeus was een veel flinker man, dan zijn zachtmoedige en beminnelijke oudere broeder Diego. Zijn voorkomen en zijn stem waren even krachtig als zijn geest. Hij was volkomen thuis in de toenmaals beoefende vakken, en kon vloeiend Latijn schrijven. Columbus benoemde hem terstond tot luitenant-generaal over zijn gebied, dat toen reeds
grenzenloos heette. Hoofdzakelijk echter bepaalde zich zijn bestuur tot de volkplantingen te Isabella en te St. Thomas. Haïti was toen in vijf deelen verdeeld, en in elk daarvan woonde
een onafhankelijke volksstam. Over elken stam regeerde een erfelijk opperhoofd, die door mindere hoofden werd bijgestaan. Men schatte toen de bevolking van het eiland op een millioen, maar dat was misschien wel wat overdreven. Men zal zich herinneren, dat Don Pedro Margarite met een leger van 400 man een onderzoekingstocht op het eiland deed. Hij
stoorde zich aan de ontvangen voorschriften niet, zocht niets dan zich zelf, en ging de vruchtbare velden van de Vega in, waar hij en zijn manschappen zich aan alle denkbare uitspattingen overgaven.
Zij bestalen de Indianen, hielden drinkgelagen in hun huizen en maakten zich aan alle mogelijke buitensporigheden met hun vrouwen en dochters schuldig. Deze euveldaden kwamen den beminlijken Diego Columbus ter oore. Terstond werd er raad gehouden. Margarite ontving een strenge
berisping en tevens het bevel, om den ontdekkingstocht voort te zetten. Maar de trotsche Spaansche edelman verachtte de Genueesche gelukzoekers, de "zoons van niemand." Hij sloeg de waarschuwingen in den wind, en ging voort allerlei wandaden te bedrijven. Tien Spanjaarden konden met hun ondoordringbare maliënkolders een honderdtal naakte Indianen op de vlucht jagen. Eindelijk waagden de tot wanhoop
gebrachte inboorlingen het zich te verzetten: doch er werd een vreeselijke slachting onder hen aangericht. Caonabo zette een samenzwering op touw. Met een duizendtal krijgslieden
trok hij tegen de Spanjaarden op, die als duivels in de woningen van zijn volk huishielden. Veel vijanden vonden den dood, en menschenbloed kleurde den grond. Het strekt Guanagari niet tot eer, dat hij weigerde tot het verbond van de 4 andere opperhoofden tegen de Spanjaarden toe te treden. Maar zijn liefde voor Columbus was zoo groot, dat
hij ondanks al die afschuwelijke tooneelen zijn vriend bleef. Zelfs bood hij aan, om aan de zijde van de Spanjaarden tegen Caonabo en de zijnen te strijden, en dat nog wel na den door de Spanjaarden op een van zijn vrouwen gepleegden moord. Bovendien hadden zij hem nog een andere vrouw afgenomen. 't Kon zijn, dat hij tot dit besluit gekomen is, omdat Caonabo hem beleedigd had, en hij zich dus wreken wilde. Caonabo had n.l. bij gelegenheid van de vermoording van het Spaansche garnizoen ook zijn stad in de asch gelegd.
Ojeda was een bekwaam en geducht krijgsman. Te midden van krijgsrumoer en den dood op het slagveld was hij het meest in zijn schik. Van top tot teen geharnast, wierp hij zich in de dichtste vijandelijke drommen, een verscheurenden en meedoogenloozen wolf gelijk, die op een kudde lammeren aanvalt. Margarite was niet alleen van een oude familie, maar tevens een gunsteling van den koning. De Spaansche edellieden op Hispaniola kozen in den regel zijn partij. De monnik Boyle, die aan het hoofd stond van een godsdienstige partij, schaarde zich ook aan zijn zijde. Tegen
Columbus en zijn broeders bestond dus een zeer machtige partij van aanzienlijken. Zij konden maar niet vergeten, dat Columbus in de dagen van zijn verheffing adellijken en priesters gedwongen had het werk
van het gemeene volk te doen, en zich zijn ontberingen te getroosten. De trotsche Margarite gaf zich uit voor den militairen bevelhebber van het eiland. Hij vertrouwde de zorgen voor het leger aan Ojeda toe, en keerde naar Isabella terug, om tegen den admiraal, die toen juist langs de kust kruiste, een samenzwering te bewerken. Hij verwaardigde zich niet eens Diego Columbus, die het bestuur in handen had, een
bezoek te brengen, of zijn gezag op eenigerlei wijze te erkennen. In overleg met de edellieden, namen hij en Boyle, die bij den koning hoog stond aangeschreven, eenige schepen in bezit, en zeilden met een groot aantal ontevredenen naar Spanje. Allen wilden bij het Spaansche
hof hun luide klachten over Columbus inbrengen. Zoo ongelukkig stonden de zaken, toen de admiraal in een toestand van volkomen bewusteloosheid de haven van Isabella binnenvoer. Nauwelijks had Columbus het bewustzijn weergekregen, of zijn trouwe vriend Guanagari kwam uit broederlijke genegenheid aan zijn ziekbed. Alle twijfel aan de trouw van dit opperhoofd was nu geheel uit het gemoed van den admiraal en zijn vrienden geweken. Ofschoon Columbus een zeer gevoelig man was, kon hij toch niet hartstochtelijk heeten. Veeleer was hij kalm, ernstig, bezadigd. Geen uittartingen waren in staat,
hem zijn bedaardheid geheel te doen verliezen. Luisterde hij naar het verhaal van al de door de Spanjaarden gepleegde gruweldaden, was hij getuige van de onherstelbare schade, welke de kolonie geleden had, en al was hij tot in 't diepst van zijn ziel bewogen, toch was hij meer van droefheid dan van wraak vervuld.
Al zijn gedachten richtten zich op de vraag, wat er gedaan moest worden, om den vrede te herstellen. Maar dit was ondoenlijk. Columbus had niet veel manschappen meer, want velen waren aan uitspattingen bezweken, anderen hadden in den strijd met de inboorlingen den dood gevonden, en ook waren er velen met de schepen weggegaan. De wilden
verkeerden juist in de grootste wanhoop. De samenzwering had een groote uitbreiding gekregen en zij kon een groot aantal krijgslieden op de been brengen.
Een Indiaansch opperhoofd, Guarionex genaamd, voerde het bevel over een der vijf deelen van Haïti. Columbus zond een gezantschap tot hem met de verzekering, dat de buitensporigheden van de Spanjaarden tegen zijn uitdrukkelijk bevel hadden plaats gegrepen, en dat het zijn ernstige wensch was op vriendschappelijken voet met de inlanders te leven. Hij
gaf het opperhoofd rijke geschenken, behandelde hem in alle opzichten als een broeder, en haalde hem over, om zijn dochter uit te huwen aan den Indiaanschen tolk, die bij Columbus in hooge gunst stond, en aan wien hij den christennaam van Diego Colon gegeven had. Den beminlijken
cacique kreeg hij door deze vriendelijkheden geheel op zijn hand. Boven allen was Caonabo de gevreesde krijgsman: De ridderlijke heldendaden van Ojeda hadden zijn bewondering opgewekt. De jonge Spanjaard vormde het plan het Indiaansche opperhoofd gevangen te nemen. Dit plan mocht met alle recht wild, hersenschimmig en uiterst gevaarlijk worden genoemd. Men zou het niet kunnen gelooven, als het niet van zeer geloofwaardige zijde werd bevestigd. Hij koos tien eedgenooten uit, die allen een schitterende wapenrusting en prachtige paarden kregen. Zij reden omstreeks 150 mijlen door de bosschen naar
Ataguana, een van de voornaamste steden en tevens de woonplaats van het opperhoofd. Ojeda naderde hem met den meesten eerbied. Hij sprak hem aan als souvereinen vorst en verzekerde hem, dat hij met rijke geschenken tot hem kwam, om hem namens Columbus te smeeken, dat hij aan den wreeden oorlog een einde maken en vriendschappelijke betrekkingen aanknoopen zou. Caonabo, die met zijn volk verschrikkelijk geleden had, en twijfelde aan zijn macht den Spanjaarden te wederstaan, leende aan
die voorstellen een willig oor. Ojeda werd met zijn gezellen gastvrij ontvangen. De valsche jonge Spanjaard trachtte op alle mogelijke wijzen het vertrouwen van het opperhoofd te verwerven. Hij stelde Caonabo voor hem naar Isabella te vergezellen, waar hij door
Columbus, hiervoor durfde hij instaan, met de meeste onderscheiding ontvangen, en met geschenken overladen zou worden. De admiraal zou zijn vriend en bondgenoot worden, en hem bij al zijn plannen helpen. In de kapel van Isabella hing een klok, en als die voor den kerkdienst geluid werd, wat natuurlijk dagelijks geschiedde, dan klonken de tonen heinde en ver over bergen en dalen, tot geen geringe verbazing van de inlanders. De Spanjaarden bezaten niets, wat zulk een diepen
indruk maakte als die klok. Caonabo zwierf menigmaal in den omtrek van de kolonie rond, om naar die wondervolle tonen te luisteren. Nu vertelde Ojeda aan Caonabo, dat Columbus, om een bewijs te geven, hoezeer hij in oprechtheid zijn vriendschap zocht, hem die klok ten geschenke wilde aanbieden. Hij zou hem wel helpen haar in zijn paleis op te hangen. Deze verleiding was te groot, en het opperhoofd stemde
er in toe met den verraderlijken Spanjaard mee te gaan naar Isabella. Toen het uur van vertrek gekomen was, verwonderde Ojeda zich, dat Caonabo zulk een groote krijgsmacht had bijeen gebracht, om hem te vergezellen. Toen hij hiervan de reden vroeg, antwoordde het opperhoofd: "Het past een groot vorst als mij niet bij den Spaanschen admiraal met een armzaligen stoet te komen."
Ojeda begon te vreezen, dat het opperhoofd ook een valsch spel speelde, en dat hij heimelijk plan had òf den admiraal gevangen te nemen òf het garnizoen bij verrassing in te sluiten. Intusschen had zich de stoet in
beweging gezet. Aan de oevers van een rivier ging men eindelijk rust houden, en daar hadden feestelijkheden plaats, die door Spaansche en Cubaansche spelen werden afgewisseld. Ojeda had een stel handboeien, die van gepolijst staal vervaardigd waren. De inlanders zagen ze voor sieraden aan, zooals zij ze nog nooit hadden gezien. Ojeda
maakte Caonabo wijs, dat de Spaansche vorsten zulke sieraden droegen, als zij in feestgewaad wilden verschijnen. Hij stelde Caonabo voor, om met die handboeien aan achter hem op het paard te gaan zitten, en dan zoo in het kamp te rijden. De heele bevolking zou hem dan vol
bewondering aanstaren. Het opperhoofd stemde hierin toe, en de kleine troep ruiters ontving de noodige bevelen. De cacique kreeg de boeien aan, en ging op een fikschen hengst achter Ojeda zitten. Na eenige sprongen vormden de ruiters een kring om hem heen, gaven hun dravers de sporen, en verdwenen met hun buit in het dichtst der bosschen. Met de blanke sabels in de hand dreigden zij den cacique met een onmiddellijken dood,
wanneer hij tegenstand bood. Zij moesten zoo nog bijna 150 mijlen afleggen; doch de reis werd gelukkig volbracht, en de gevangene in triomf in het fort te Isabella opgesloten.
Columbus vergat het verraderlijke van de daad, omdat het hem toch genoegen deed den geduchtsten vijand van de Spanjaarden in zijn macht te hebben. De stoutmoedige vorst van de Caraïbiërs werd streng
bewaakt. Hij bewaarde een trotsche houding, en wilde geen gunsten vragen, of eenig teeken van onderwerping geven. Hij scheen de daad van Ojeda zeer te bewonderen, al was hij dan ook het slachtoffer van die krijgslist. Toen Columbus zijn cel binnentrad, bewees hij hem niet den minsten eerbied, maar toen Ojeda kwam, stond hij op en groette hem zeer beleefd. Toen hem gevraagd werd, waarom hij den gouverneur met minachting bejegende, en een van zijn onderdanen hulde bewees, gaf de trotsche cacique ten antwoord:
"De admiraal heeft nooit den moed gehad in het hart van mijn land te komen, om mij te vatten. Alleen door de dapperheid van Ojeda ben ik een gevangen man. Hem dus ben ik eerbied verschuldigd, maar den admiraal niet."
De onderdanen van Caonabo betreurden zijn gevangenschap zeer. Een van zijn broeders bracht een leger van 7000 man op de been, om hem te bevrijden. Ojeda viel met een aantal geharnaste ruiters onverhoeds op hen aan, en dreef ze op de vlucht. Hun blanke sabels, hun wapenrusting, waar geen werpspies of pijl door kon komen; de bloedhonden, die de naakte Indianen bij de keel grepen en ze op den grond wierpen;
en vooral de wilde dieren, waarop de Spanjaarden reden, en die in hun oog waren, wat leeuwen en tijgers voor vrouwen en kinderen zijn, stelden weinige honderden soldaten in staat een tienmaal grooter aantal Indianen op de vlucht te drijven. Ojeda kende geen genade. De arme inlanders, die voor de rechtvaardigste zaak vochten, werden vermoord, zooals wolven het lammeren doen.
Omstreeks dezen tijd kwamen er vier schepen uit Spanje met vele benoodigdheden. Zij brachten zoowel van Ferdinand als van Isabella de vleiendste brieven mee. Margarite en de monnik Boyle waren nog niet in
Spanje aangeland, en hadden dus met hun kwaadaardige schotschriften nog geen vergif gegoten in de harten van de monarchen. De beide majesteiten hadden een bevel uitgevaardigd, waarbij den kolonisten werd bevolen Columbus zoo onvoorwaardelijk te gehoorzamen als zij het den koning en de koningin zouden doen. Den admiraal werd ook verzocht naar Spanje te komen, om met zijn ondervinding het hof te helpen in
het trekken van de aardrijkskundige lijn, die de ontdekkingen van Portugal van die van Spanje scheiden zou. Columbus was echter van gevoelen, dat hij op dat oogenblik de kolonie nog niet verlaten mocht, want de verwarring was groot. In de
mijnen werd niet meer gearbeid. De zware ziekte, waardoor hij was aangetast, kluisterde hem nog aan het bed. Daarom besloot hij zijn broeder Diego naar Spanje terug te zenden, om daar zijn belangen te behartigen. Aangezien hij geen goud meegeven kon, zond hij 500 opgelichte inlanders, die naar zijn meening te Sevilla als slaven verkocht konden worden.
Het is jammer, dat de schitterende roem van Columbus door zulk een smet bezoedeld is. Maar de gewoonten van zijn tijd strekken eenigszins tot zijn verschooning. Lang te voren was het voorbeeld zoowel door Spanjaarden als Portugeezen gegeven, toen zij ontdekkingen in Afrika deden, waarbij de slavenhandel een van de grootste bronnen van inkomsten had uitgemaakt. Bovendien was de daad zelf door de
kerk geheiligd, want de voornaamste godgeleerden hadden verklaard, dat alle barbaarsche en ongeloovige volken, die hun oogen voor de waarheden van het christendom sluiten, geschikte voorwerpen zijn voor oorlog en roof, voor gevangenschap en slavernij.
Deze overweging kan de groote misdaad van Columbus, het vernederen van de inlanders tot slaven, verzachten. De daad zelf echter zal altijd een onuitwischbare smet op zijn karakter blijven werpen. Columbus kon beter weten, en had wijzer behooren te zijn. Ook in die dagen waren er mannen, die er de schandelijkheid van inzagen, en zich er tegen verzetten. De goede Las Casas liet zich over die snoodheid vinnig uit, en met een oprechtheid, die hem tot eer verstrekt, schrijft hij:
"Als vrome en vroede mannen, die de leiders en onderwijzers van den koning en de koningin waren, de onrechtvaardigheid van den slavenhandel niet inzagen, dan is het waarlijk geen wonder, dat de ongeletterde admiraal het groote kwaad er van niet begreep." [6]
Behalve bij de weinigen, waarop Guacanagari nog eenigen invloed kon uitoefenen, was bij alle bewoners van het eiland de verontwaardiging tegen de Spanjaarden ten top gestegen. Columbus, die zelf op het ziekbed lag uitgestrekt, en wiens krijgsmacht zoowel als de geheele kolonie ontzettend veel van ziekte te lijden had, wendde alle middelen aan, die tot verzoening leiden en de vijandschap, die tegen hem was
opgewekt, opheffen konden. Maar de smaad, dien men den inlanders had aangedaan, was te groot, om maar zoo gemakkelijk vergeten te kunnen worden. Nog geen twee dagreizen van Isabella af hadden de inboorlingen een leger verzameld. Columbus verliet zijn bed, om den naderende aanval af te weren. Hij kon maar 200 man voetvolk en 20 ruiters op de been
brengen, maar dezen waren veel beter gewapend dan de wilden. Zij hadden veel geweren. Ook hadden zij twintig bloedhonden, die zoo wild als tijgers waren. Niets schrikte hen af. Met onbegrijpelijke wildheid stoven zij op de naakte Indianen in, grepen hen bij de keel en verscheurden hen.
Den 27en Maart 1495 verliet Columbus met zijn legertje Isabella en trok hij tegen den vijand op, om hem onverhoeds aan te tasten. De Indianen kregen door hun verspieders bericht van hun nadering. Las
Casas schatte het leger van de inlanders op 100000 man, maar dit is stellig overdreven; en het is niet te denken, dat men het aantal juist kon opgeven. De slag had bij de stad plaats, die nu St. Jago heet. Het was een vreeselijk tooneel van bloedbad en slachting. De geharnaste ruiters sabelden de wilden neer met een spierkracht, die niet scheen te kunnen worden uitgeput. Hadden de bloedhonden hun tanden in het vleesch geslagen, dan was het onmogelijk die er weer uit te halen;
ze haalden de ingewanden uit het lijf, en sprongen woedend van den een op den ander. De overwinning van de Spanjaarden was volkomen, en de inlanders waren voor goed machteloos gemaakt. De wreedheid, waaraan Columbus zich bij die gelegenheid schuldig maakte, is volstrekt onverschoonbaar. Met zijn geharnaste ruiters maakte hij een tocht door de provinciën. Op belangrijke plaatsen bouwde hij forten, waarin hij bloedhonden en krijgslieden achterliet, die elkander in wreedheid niets toegaven. Ojeda was op zulke tochten,
waarbij geroofd en gemoord werd, zeer gesteld, en daarom viel hij als een onweer neer, als hij ergens ook maar een schijn van opstand meende waar te nemen. Ten einde goud naar 't Spaansche hof te kunnen zenden, en daardoor vooral den later te verstommen, dien zijn vijanden van hem verspreidden, legde hij even buitensporige als hatelijke belastingen op, en verwachtte daarvan aanzienlijke inkomsten. Ieder inlander, die boven de 14 jaar was, moest elke 3 maanden zooveel goud brengen,
dat de waarde er van nu met die van 5 dollars, maar toen wel met die van 15, overeenkwam. Die arme inlandsche kinderen moesten dus ook al 60 dollars belasting in goud per jaar opbrengen. Van de opperhoofden eischte hij natuurlijk veel meer. Atanicaotex, de broeder van Caonabo,
moest om de 3 maanden 150 pesos goud betalen, gelijk staande met 600 dollars per jaar. Alleen de vrees voor de beten van de bloedhonden dreef de inlanders er toe zooveel goud bijeen te verzamelen, dat de ontzettend zware belasting kon worden opgebracht. Ieder, die zijn belasting betaald had, kreeg een koperen plaatje om den hals. Had
iemand dat plaatje niet om, dan werd hij streng gestraft, soms met gevangenschap. In die streken, waar geen goud was, moest ieder elke 3 maanden 25 pond katoen opbrengen. Het volk was wanhopend. Kreten van smart hoorde men overal. De eenvoudige inboorlingen, die in bloemtuinen woonden en zich met vruchten voedden, waren tot de beklagenswaardigste slavernij gebracht en tot onrust en moeite veroordeeld, waardoor het leven een last werd. Aan ontvluchten viel niet te denken, en hoop was er niet. Hun prettig leven op het eiland was uit. De nacht van de wanhoop daalde
op Hispaniola neer, en niet vóór men in het stille graf rustte, kon men uit dien nacht komen. De wereldgeschiedenis is vol treurspelen, maar waar zullen we akeliger lot vinden dan dat van de bewoners van de West-Indische eilanden? Velen vluchtten in wanhoop naar wildernissen, waarin men haast niet doordringen kon, of naar bergspelonken. Maar ook daar werden zij door
de bloedhonden nagespeurd, en vonden zij er een ellendigen dood. Ouders zagen hun kroost van gebrek wegkwijnen, of door die wilde beesten verscheuren. De onderdanen van Guacanagari hadden geen beter lot dan de anderen. Zijn landgenooten haatten hem, omdat hij weigerde zich met hen tegen de verafschuwde Spanjaarden te vereenigen. Alle
opperhoofden spraken er schande van, en met hun verachting beladen, en verarmd door de afpersingen van de Spanjaarden, trachtte hij zich in een wilde en onvruchtbare streek te verbergen, waar hij in vergetelheid en armoede stierf, door niemand beklaagd.
Intusschen deden Margarite en bisschop Boyle aan het Spaansche hof hun best, om den goeden naam van Columbus te bezwalken. Hun verklaringen werden door de ontevredenen, die met hen mee naar Spanje gegaan waren, bevestigd. De regeering benoemde Juan Aguado tot zaakgelastigde, om naar Hispaniola te gaan en er de ernstige beschuldigingen te