-
Notifications
You must be signed in to change notification settings - Fork 1
Expand file tree
/
Copy pathnl_train
More file actions
600 lines (600 loc) · 188 KB
/
nl_train
File metadata and controls
600 lines (600 loc) · 188 KB
1
2
3
4
5
6
7
8
9
10
11
12
13
14
15
16
17
18
19
20
21
22
23
24
25
26
27
28
29
30
31
32
33
34
35
36
37
38
39
40
41
42
43
44
45
46
47
48
49
50
51
52
53
54
55
56
57
58
59
60
61
62
63
64
65
66
67
68
69
70
71
72
73
74
75
76
77
78
79
80
81
82
83
84
85
86
87
88
89
90
91
92
93
94
95
96
97
98
99
100
101
102
103
104
105
106
107
108
109
110
111
112
113
114
115
116
117
118
119
120
121
122
123
124
125
126
127
128
129
130
131
132
133
134
135
136
137
138
139
140
141
142
143
144
145
146
147
148
149
150
151
152
153
154
155
156
157
158
159
160
161
162
163
164
165
166
167
168
169
170
171
172
173
174
175
176
177
178
179
180
181
182
183
184
185
186
187
188
189
190
191
192
193
194
195
196
197
198
199
200
201
202
203
204
205
206
207
208
209
210
211
212
213
214
215
216
217
218
219
220
221
222
223
224
225
226
227
228
229
230
231
232
233
234
235
236
237
238
239
240
241
242
243
244
245
246
247
248
249
250
251
252
253
254
255
256
257
258
259
260
261
262
263
264
265
266
267
268
269
270
271
272
273
274
275
276
277
278
279
280
281
282
283
284
285
286
287
288
289
290
291
292
293
294
295
296
297
298
299
300
301
302
303
304
305
306
307
308
309
310
311
312
313
314
315
316
317
318
319
320
321
322
323
324
325
326
327
328
329
330
331
332
333
334
335
336
337
338
339
340
341
342
343
344
345
346
347
348
349
350
351
352
353
354
355
356
357
358
359
360
361
362
363
364
365
366
367
368
369
370
371
372
373
374
375
376
377
378
379
380
381
382
383
384
385
386
387
388
389
390
391
392
393
394
395
396
397
398
399
400
401
402
403
404
405
406
407
408
409
410
411
412
413
414
415
416
417
418
419
420
421
422
423
424
425
426
427
428
429
430
431
432
433
434
435
436
437
438
439
440
441
442
443
444
445
446
447
448
449
450
451
452
453
454
455
456
457
458
459
460
461
462
463
464
465
466
467
468
469
470
471
472
473
474
475
476
477
478
479
480
481
482
483
484
485
486
487
488
489
490
491
492
493
494
495
496
497
498
499
500
501
502
503
504
505
506
507
508
509
510
511
512
513
514
515
516
517
518
519
520
521
522
523
524
525
526
527
528
529
530
531
532
533
534
535
536
537
538
539
540
541
542
543
544
545
546
547
548
549
550
551
552
553
554
555
556
557
558
559
560
561
562
563
564
565
566
567
568
569
570
571
572
573
574
575
576
577
578
579
580
581
582
583
584
585
586
587
588
589
590
591
592
593
594
595
596
597
598
599
600
In de prachtige zeestad Genua, de trotsche bijgenaamd, werd omstreeks het jaar 1435 een knaapje geboren, dat nu in alle landen als Christophorus Columbus bekend is. Het juiste jaar zijner geboorte kent men niet. Hij was de zoon van geringe lieden, en zijn vader, die een degelijk en vlijtig man, en wolkammer van beroep was, moest hard werken, om in het onderhoud van zijn gezin te voorzien. De haven van Genua lag vol met schepen uit al de handelshavens
van de toen bekende wereld. Op de kaden wemelde het van zeelieden, die allerlei talen spraken en de uiteenloopendste kleederdrachten vertoonden. De knaap was van nature nadenkend en bezat, bij een groote
liefde voor avonturen, een levendige verbeelding. Wanneer hij zoo langs de straten slenterde en naar de groote schepen keek, ontwaakte een sterke begeerte in hem, om verafgelegen landen te bezoeken. Zijn vader had vier kinderen, drie zoons en één dochter. Hij moet een verdienstelijk en verstandig man zijn geweest, want hij schijnt aan al zijne kinderen het onderwijs te hebben doen geven, dat de gewone school aanbood. Christophorus had goed leeren lezen, schrijven en rekenen. Ook had hij eenige vorderingen gemaakt in het Latijn en het teekenen. Zelfs bezocht hij de hoogeschool te Pavia, waar hij zich vlijtig oefende
in meetkunde, aardrijkskunde, sterrekunde en zeevaartkunde. Hij was nog maar 14 jaren oud, toen zijn vader hem aan de zorg van een bloedverwant, wiens naam Colombo was, toevertrouwde, en met wien hij
zijn eerste zeereis deed. Deze ervaren zeeman was reeds zeer beroemd wegens zijn bekwaamheid in de zeevaartkunde. Bij de Genueesche vloot bekleedde hij den rang van admiraal en voerde hij het bevel over een eskader.
De zeeën werden toen zoo onveilig gemaakt door zeeroovers, dat elk koopvaardijschip goed van wapenen moest worden voorzien, om dadelijk strijdvaardig te wezen. Al weten wij niet, wat Columbus op zijn eerste zeereis wedervoer, toch is 't bekend, dat zij een oorlogstocht was. Colombo zeilde als bevelhebber van een eskader van Genua uit,
om koning René, die zijn rijk trachtte te heroveren, ter hulp te snellen. Dit gebeurde in 1459. De oorlog duurde vier jaren. Het eskader van Colombo werd om zijn onverschrokkenheid zeer geprezen. Later gaf Christophorus Columbus in een brief aan Ferdinand en Isabella een kort verhaal van een tocht, dien hij gedaan had om een galei uit de haven van Tunis te verjagen. Zijn scheepsvolk had bij toeval vernomen, dat de galei door twee andere schepen beschermd werd, en
daardoor was het zoo beangstigd geworden, dat het weigerde den tocht voort te zetten. Schijnbaar willigde Columbus hunne wenschen in, en zij verkeerden dan ook in de meening, dat hij besloten had terug te keeren ten einde versterking te halen. Hij veranderde echter van koers, en haalde alle zeilen op. Weldra viel de nacht in. Toen de
morgen aanbrak, zeilde het schip de haven in, waarin de galei lag. De uitslag is onbekend, maar het voorval herinnert ons levendig de nog belangrijker krijgslist, waartoe hij later zijn toevlucht nam, ten einde zijne moedelooze schepelingen aan te vuren, om de reis over de onstuimige zee naar de nieuwe wereld voort te zetten. Destijds
werd de Atlantische Oceaan zoo goed als niet bevaren. Eenige weinige ondernemende zeelieden waren langs de kusten van Noord-Europa gevaren, en zuidwaarts naar de westkust van Afrika gestevend. Maar
de wereldhandel bepaalde zich hoofdzakelijk tot de Middellandsche zee. iDat waren dagen van ruw geweld, wetteloosheid en misdaad.
Elk koopvaardij schip was genoodzaakt wapenen te voeren. Zeeroovers, wier schepen menigmaal heele vloten vormden, maakten alle zeeën onveilig. Ieder zeeman moest wel een soldaat wezen, altijd klaar, om naar de wapenen te grijpen, ten einde een aanvallenden vijand
af te slaan. Onder zulke omstandigheden werd Columbus gevormd. Van zijne vroegste zeetochten is ons niets bekend en wij weten alleen, dat hij een groot deel der toen bekende wereld doorkruiste. Zoo bezocht hij o.a. Engeland, en beploegde zijn voorspoedige kiel de wateren van de Noordzee, tot hij de noordelijke kusten van IJsland bereikte. Het is niet onwaarschijnlijk, dat hij daar losse geruchten vernam van de tochten, welke, eeuwen vroeger, de Noormannen naar de
door het ijs omgeven kusten van Labrador en Groenland hadden gedaan, en van de eindelooze meer zuidwaarts liggende kusten, van welker uitgestrektheid niemand zich een denkbeeld maken kon. Later schreef hij in een zijner brieven: "Veertig jaren lang heb ik de geheimen der natuur trachten uit te vorschen, en waar ooit een schip zich vertoonde, daar ben ik geweest."
Tijdens zijn omzwervingen kwam hij ten laatste te Lissabon, de hoofdstad van Portugal, aan, toen een der beroemdste zeehavens van de wereld. Hij was toen 35 jaren oud.
Uit de levensbeschrijving, door zijn zoon opgesteld, leeren wij, dat hij ijverig studeerde. Hij las de werken van Aristoteles, Seneca en Strabo. Menig middernachtelijk uur werd gesleten met het lezen van de nasporingen, door Marco Polo en Sir John Maundevile of Mandeville in het werk gesteld. De vraagstukken, waartoe deze ontdekkingen aanleiding gaven, bepeinsde hij ernstig. Maar het boek, dat hem het meest boeide
en zijn geest geheel en al bezighield, was de Wereldbeschrijving, de "Cosmographie", van kardinaal Aliaco. Het was een zonderling mengsel van dwaasheid en geleerdheid, van echte wetenschap en zotte fabelen. Columbus trof te Lissabon vele zeelieden aan, verstandige, opmerkzame
menschen, die alle bekende zeeën hadden bevaren. Hen hoorde hij van drijfhout spreken, dat gevonden was geworden, en zeer onderscheiden was van den plantengroei, dien men in Europa kende. Ruw snijwerk had men uit de zee opgevischt, dat blijkbaar met zeer onvolkomen gereedschap was bewerkt. En, wat het vreemdst van alles scheen,
er waren twee lijken op de Azoren aangespoeld, van een menschenras afkomstig, hoedanig noch in Europa noch in Afrika werd gevonden. Langzamerhand schijnt bij Columbus het denkbeeld te zijn opgerezen,
dat er op den aardbol nog andere en uitgestrekte landen moesten wezen, welk de Europeanen nog niet kenden. Want slechts een klein gedeelte van onze aarde was toen nog maar door beschaafde menschen
bezocht. Wanneer Columbus alleen in zijne kamer zat, en zijn oogen op de ellendige kaarten van dien tijd rustten, dan werd zijn geest wakker en teekende hij met het potlood in de hand de hem bekende oevers der Middellandsche zee, benevens de minder bekende kusten van Afrika van kaap Blanco af tot kaap Vert toe. In zijn verbeelding ging hij moedig den Atlantischen oceaan op tot de Azoren toe, doch hier vond hij een eindpaal, omdat verder alles nog onbekend en onbevaren was.
Het door hem bepeinsde plan jaagde hem het bloed naar de wangen. Wat ligt, vroeg hij zich af, in dien uitgestrekten, grenzenloozen oceaan aan den anderen kant? Is de aarde een plat vlak? Gesteld, dat dit zoo is, maar waar is dan het einde, en wat ligt aan de andere zijde? Is de aarde een bol? Als zij dat is, hoe groot is die bol dan? Liggen er in dien onmetelijken oceaan andere landen? Zou het voor een onverschrokken avonturier mogelijk zijn dien bol om te varen?
In 1477 stak Columbus in zee, om het westen te vinden langs den ouden, noordelijken weg, die langs IJsland liep. Waarschijnlijk had hij van de ontdekkingen gehoord, welke de Noormannen in die richting
hadden gedaan, en was 't hem bekend, dat men den afstand van Europa's noordelijkste punten tot de Aziatische stranden niet groot rekende. Alvorens de groote onderneming uit te voeren, deed hij eerst onderscheidene kleine zeetochten. Zuidwaarts bezocht hij Madera, de Kanarische eilanden en de kust van Guinea. De wegen, door de Portugeesche zeevaarders gevolgd, ging hij ijverig na, en maakte zich
vertrouwd met al wat zij van de Azoren en de westelijkste eilanden hadden ontdekt. Ook zocht hij den noordelijken weg op, en waagde zich zelfs op eenigen afstand ten westen van IJsland. Wellicht had hij het verhaal van de Noormannen gelezen van Groenland, Markland en Vineland. Het laatste
schip was van Groenland naar IJsland teruggekeerd ongeveer honderd jaren vóór Columbus dit eiland aandeed. Malte Brun onderstelt, dat Columbus in Italië van de heldendaden dezer koene zeelieden kennis gekregen had, want Rome werd toen als het middelpunt van de wereld beschouwd, en die iets belangrijks hooren wilde, moest daar zijn. Een Deensch schrijver meent, dat Columbus, die alle mogelijke boeken en handschriften trachtte te krijgen, om verhalen van zeetochten en ontdekkingen te lezen, de geschriften van den bekenden geschiedschrijver Adam van Bremen in handen gekregen had, waarin de
ontdekking van Vineland met nadruk werd vermeld. Deze vermoedens hebben hem ongetwijfeld aangespoord tot de reis naar IJsland, en hij bracht, volgens het verhaal van zijn zoon Fernando, niet alleen eenigen tijd op IJsland door, maar zeilde nog 300 mijlen verder, waardoor hij Groenland haast moet hebben kunnen zien.
Was Columbus met de belangrijkste ontdekkingen der Noormannen bekend, dan kan men zijn vast geloof aan de mogelijkheid, om een westelijk gelegen land weer te vinden, en zijn grooten ijver, om dat te doen,
gemakkelijk verklaren. Zijne latere ontdekking van Amerika mogen wij dan veilig als de voortzetting beschouwen van hetgeen de oude Scandinaviërs hebben verricht.
Columbus ging na, hoeveel tijd de zon noodig had, om van de eene zijde van de Middellandsche zee naar de andere te komen, welke afstand 2000 mijlen bedraagt. Hieruit leidde hij af, welke ruimte de zon dan in 24
uren kon doorloopen. Dergelijke vraagstukken verruimden niet alleen zijn geest, maar leerden hem ook juist denken, en onttrokken hem aan den nadeeligen invloed van dwaze hersenschimmen.
Deze opwekkende studie eischte algeheele toewijding. Aan pretmaken dacht hij niet meer, en evenzeer werd het bevredigen van zijn eerzucht aan banden gelegd. Praatte hij met zijn vrienden en kennissen, dan was de studie altoos het onderwerp van het gesprek. Zijn studeervertrek was soms vol zeelieden, die mededeeling kwamen doen van wat zij gezien
of ook maar alleen zich verbeeld hadden. Langzamerhand kreeg Columbus de overtuiging dat de aarde bolrond moest zijn en dat men derhalve, steeds westwaarts zeilende, de kusten van Azië bereiken moest. Van de grootte der aarde had hij, door de snelheid in aanmerking te nemen, waarmede de zon zich schijnbaar voortbeweegt, een vrij nauwkeurige berekening gemaakt. Hij vermoedde wel niet, dat er tusschen Europa en Azië land ligt, maar hij meende toch, dat hij de kusten van Azië vinden zou, daar, waar hij later de Nieuwe wereld vond.
Onbepaalde berichten van het groote eiland Japan, dat zich ten Oosten van Azië zou uitstrekken, waren in Europa in omloop. Columbus meende, dat het op de plaats lag, waar hij naderhand Cuba vond.
"Deze groote rijken," zeide Columbus, "zijn met onsterfelijke wezens bevolkt, voor wier verlossing Christus een bloedig offer bracht. Mij heeft God de taak opgedragen hen te zoeken, en hun het evangelie te brengen. De rijkdom van Indië is spreekwoordelijk, en ik zal er onuitputtelijke schatten vinden, waarmede men zich legers kan
verschaffen. Met deze legers kunnen we het graf van den Zaligmaker der wereld verlossen uit de handen der ongeloovigen, die er geen eerbied voor hebben." Columbus was arm. Het was geheel boven zijn macht, zulk een belangrijken ontdekkingstocht te ondernemen. De meesten hielden hem voor een half waanzinnigen dweper. Zoo dwaas als men een voorstel
vinden zou, om de maan te bezoeken, zoo ongerijmd vond men zijn plan. Te vergeefs klopte hij aan de deuren van rijke lieden aan. Toch trof hij verstandige menschen aan, die zijne plannen onderzochten,
en ze een ernstig onderzoek waardig keurden. Met behulp van zulke getuigen, hoopte hij zich de medewerking van eenige Europeesche hoven te verzekeren. Een machtige staat kon hem gemakkelijk de noodige middelen verschaffen, en hem dat gezag en die waardigheid verleenen,
welke hij voor de uitvoering zijner plannen werkelijk meende noodig te hebben. In vergoeding daarvan zou het hof rijk en machtig worden, en zooveel roem behalen, dat het door geheel Europa werd benijd. Het eerst wendde hij zich tot de regeering in Portugal. Koning Johan
II ontving hem in een plechtig gehoor, en luisterde aandachtig en schijnbaar vol belangstelling naar zijn plannen. Columbus beschouwde zich volstrekt niet als iemand, die nederig iets aan den voet van een
koninklijken troon komt afsmeeken. Veeleer hield hij zich voor iemand, wien God belangrijke openbaringen had gedaan, welke den rijkdom en den roem van den grootsten monarch zouden vermeerderen, en die oorzaak zouden zijn, dat zich een nieuw tijdperk voor de wereld opende. Tot loon voor al zijn verdiensten verzocht hij om tot onderkoning aangesteld te worden over al de landen, die hij ontdekken zou, en om
het tiende deel van al de winsten, welke het opleveren mocht. Terwijl hij zich in Lissabon ophield, raakte hij in kennis met een Italiaansche jonge dame, die Felipa heette en bij hare moeder inwoonde, welke weduwe was. Wel was zij van aanzienlijke afkomst, maar zij bezat geen fortuin. Hun huwelijk volgde spoedig, en het schijnt gelukkig
te zijn geweest tot de dood hen scheidde. Zij kregen een zoon, die Diego heette. De koning vond de eischen van Columbus buitensporig. Deze toch was een arme, onbekende zee-kapitein, zonder rang, geld of vrienden. En toch stelde deze vreemde, ernstige man, met zijn onstuimige geestdrift, zich voor in de rijen der koningen plaats te nemen. Met een beleefde buiging liet de vorst den eerzuchtigen zee-kapitein uit zijn gehoorzaal vertrekken.
De waardige en ernstige houding van den man, en het volkomen vertrouwen, dat hij in de juistheid zijner inzichten openbaarde, hadden evenwel een diepen indruk op den koning gemaakt. Hij kon
de gedachten niet van zich zetten, welke hem medegedeeld waren geworden. Na eenigen tijd over de zaak nagedacht te hebben, riep hij een Raad bijeen van de geleerdste mannen te Lissabon, en stelde hem de zaak voor. Rijpelijk werd alles overwogen. Eenigen van de uitstekendste
leden van dien Raad lieten zich gunstig over de plannen van Columbus uit. Maar de uitspraak van de meerderheid was er beslist tegen. Men berichtte den koning, dat zijne plannen zoo ongerijmd waren, dat ze verdere bespreking onwaard moesten heeten. Toch was de koning onvoldaan, want de door hem verkregen indruk was te sterk, om zoo maar gemakkelijk uitgewischt te worden. Bovendien
verminderde het feit, dat de grootste wijsgeeren Columbus' meeningen deelden, den indruk van het ingediende Verslag. Toen had de koning de laagheid tot een zeer onteerenden maatregel over te gaan. Hij zond heimelijk een vloot uit. Deze heette naar de Kaap-Verdische eilanden te gaan. Gebruik makende van al de inlichtingen, die Columbus hem gegeven had, gaf hij den kapitein het heimelijk bevel, om maar moedig het spoor te volgen, dat Columbus aangegeven had, hopende op deze
wijze zelf de ontdekker te worden. De kapitein volgde de bevelen op, maar zijn matrozen verloren den moed, daar zij niet wisten, waar zij op die onbekende wateren heengingen.
Een verschrikkelijke storm brak op den Oceaan los, waardoor hun vrees tot het uiterste gedreven werd. Met luider stem verklaarden allen, dat zij weigerden aan zulke gevaren het hoofd te bieden, zoodat de
kapitein genoodzaakt was toe te geven en terug te keeren. Columbus werd deze schandelijke handelwijze gewaar, die grootelijks zijne verontwaardiging had opgewekt. Met zijn toorn vermengden zich aandoeningen van teleurstelling en droefheid, dat het koninklijk hof, waartegen hij gewoon was geweest met eerbied op te zien, hem zoo trouweloos had behandeld. Hij was toen een weduwnaar, en bezat alleen zijn zoon Diego. Zijn tijd aan de studie en de bevordering zijner ontdekkingsplannen
wijdende, had hij geen gelegenheid, voor zijn geldelijke belangen te zorgen. Hij voorzag in zijn nederig onderhoud door het vervaardigen en den verkoop van kaarten. Met Diego verhuisde hij toen naar Genua, zijn geboorteplaats. Hier moest hij de waarheid van het spreekwoord ondervinden, dat een profeet in zijn eigen vaderland niet geëerd wordt. Hij verzocht het Bestuur der stad om hulp voor een onderneming, welke
men algemeen niet alleen noodlottig noemde, maar waarvan de geleerden te Lissabon reeds gezegd hadden, dat ze geen aandacht waard was. "En wie is die Christophorus Columbus?" werd gevraagd. "Wel, hij is een zeeman uit onze stad", was het antwoord; "de zoon van Dominico Colombo, een wolkammer. Hij heeft twee broers en een zuster, die hier
in nederige omstandigheden verblijf houden." Dit maakte aan de zaak bij het trotsche Genueesche hof een einde. Het verzoek van Columbus werd met verachting afgewezen. Hij kon niet eens een gepast gehoor krijgen. Nu was hij wel arm, en alleen de hoop en een aangeboren geestkracht moesten hem staande houden. Eindelijk besloot hij, na nog vele plannen overdacht te hebben, zijn geluk aan
het Spaansche hof te beproeven. Hij nam zijn zoon Diego mee, scheepte zich te Genua in, en landde na een korte vaart te Palos, een kleine Spaansche zeehaven aan den mond van de Tinto. Ferdinand en Isabella waren toen juist in een oorlog gewikkeld met de Mooren. Beiden bevonden zich toen met hun leger te
Cordova, bijna honderd mijlen ten noord-oosten van Palos. Daar al hun krachtsinspanning voor het voeren van den oorlog noodig was, mocht het oogenblik ongunstig heeten hen te willen overhalen tot een onderneming, die veel geld moest kosten, en daarenboven twijfelachtig was.
Met een lichte beurs en een bezwaard gemoed begaf Columbus zich op weg, om de vele mijlen af te leggen, die hem van de koninklijke legerplaats scheidden. Hij was bleek, mager en het was hem aan te
zien, dat zorg hem had verteerd. Zijn kleeren waren kaal. Koffers en valiezen behoefde hij niet mee te sjouwen; alleen droeg hij een klein pakje aan zijn zijde. De kleine Diego liep aan zijns vaders hand mee.
Zij waren nog maar anderhalve mijl van het dorp Palos af, toen zij bij een hecht steenen klooster kwamen. Diego had honger en dorst, en daarom ging de vader in het klooster, om een beker water en een snede brood voor zijn kind te vragen. Heel toevallig kwam de prior van het klooster op dat oogenblik aan
de deur. Het beleefd verzoek, de waardige houding en de verstandige trekken van den vreemdeling maakten diepen indruk op hem. Hij noodigde Columbus uit binnen te gaan, knoopte een gesprek met hem aan, en stelde niet slechts groot belang in de nieuwe plannen, die hij te berde bracht, maar werd door de kracht zijner redeneering volkomen overtuigd, dat er waarheid in lag. Hij hield Columbus eenige dagen bij zich, verleende hem al de gastvrijheid, die het klooster schenken kon,
en noodigde hem uit, om met hem een arts uit de buurt op te zoeken, die in wetenschap uitblonk. Columbus, de prior en de dokter brachten in de cellen van het stille klooster La Rabida vele uren door met de vraag of de aarde een bol of een plat vlak was, en of het, door steeds westwaarts te zeilen,
mogelijk zou zijn het vasteland van Azië te bereiken, dat ver weg in het Oosten lag. De prior van het klooster was een geleerd man en had grooten invloed
aan het hof, daar hij, zooals dat in die dagen veelal het geval was, een hoogen rang bekleedde. Hij toonde zulk een levendige belangstelling in Columbus en zijn onderneming, dat hij hem overhaalde zijn zoon Diego in het klooster ter opvoeding achter te laten, en gaf hem brieven van aanbeveling mede voor den biechtvader van koningin Isabella.
Door dit bezoek en door alles, wat voor zijn kind gedaan was, zette Columbus de reis naar Cordova vroolijk en opgeruimd van geest voort. Het militair vertoon, dat Columbus in het kamp te Cordova zag, was verbazingwekkend. De luister van het hof van Castilië en die van het hof van Arragon waren er vereenigd. De geheele ridderschap van Spanje was op dat groote veld bijeen, en prachtig uitgedost met schitterende
wapenrusting en prachtig gevolg. De tenten stonden in de rondte, en 't was of men een groote stad zag. Blinkende wapens en wuivende pluimen zag men overal, terwijl de muziek van de militaire troepen de lucht vervulde.
Maar al deze pracht was niets voor Columbus in vergelijking met de plannen, waarvan zijn geest vol was. Hij gaf zijn brief aan Fernando Talavera, den kapelaan van de koningin. Talavera was een trotsch prelaat, koel en onspraakzaam. Ternauwernood ontving hij Columbus beleefd, luisterde met blijkbaren weerzin naar het verhaal van het
plan, dat hij kwam voorstellen, en liet hem gaan met de woorden: "Mij dunkt, dat het zeer indringend zou zijn thans, nu hare majesteit door al de zorgen voor dezen veldtocht gedrukt wordt, met een plan
bij haar te komen, dat in de lucht hangt." De verschijning van Columbus was alles behalve indrukwekkend. Zijn kleeren zagen er armoedig en kaal uit, en hij was door teleurstelling
terneergeslagen. Maar het gerucht zijner plannen ging als een loopend vuurtje door het kamp. De hovelingen wezen spottend met den vinger naar den kalen avonturier als een, die onmetelijke rijken bezat met millioenen inwoners, die hij aan de koningen van Spanje ten geschenke wilde geven.
Columbus wist niet, wat hij doen of waar hij gaan moest. Hij bleef te Cordova talmen, terwijl het Spaansche leger optrok, om de laatste schuilplaats van de Mooren in de provincie Granada aan te tasten. Hij hield zich overtuigd, dat de overwinning de koninklijke banieren volgen zou, en dat er dan misschien gelegenheid zou zijn, om met zijn verzoek
voor den dag te komen. In den herfst keerden Ferdinand en Isabella in triomf terug. Zij vestigden hun hof voor den winter te Salamanca, bijna 300 mijlen van Cordova. In dien tusschentijd vond Columbus, die geen gehoor bij de koningin kon krijgen, een sober bestaan in
het teekenen van landkaarten en plans. De tooneelen, die toen te Cordova en in zijn omstreken voorvielen, hadden de beroemdste mannen uit alle deelen van Spanje derwaarts gelokt. Dit bood Columbus de gelegenheid aan, om met de geleerdste mannen in aanraking te komen. Schrandere personen ontvingen een diepen indruk van de waardigheid waarmee hij zich gedroeg, van de diepte zijner overtuiging, van zijn uitgebreide kennis en de boeiende
welsprekendheid, waarmede hij zijne meeningen bepleitte. Soms had hij het genoegen den bijval van den een of ander te verwerven. Een verstandig en vermogend heer begon zooveel belang in Columbus te stellen, dat hij hem uitnoodigde ten zijnent te komen en zijn gast te zijn. Deze heer stelde hem aan den nuncius van den paus, Antonio
Geraldini, en aan andere heeren voor, die in den staat of aan 't hof hooge betrekkingen bekleedden.
Terwijl hij zoo in nutteloos oponthoud zijn tijd te Cordova zoek bracht, verbond hij zich met een dame dier plaats. Zij heette Beatrix Enriquez en was van adel, maar niet rijk. Zij werd de moeder van zijn
tweeden zoon, Fernando, die in het volgende jaar, 1487, geboren werd, en die, na zijn dood, zijn levensgeschiedenis schreef.
Columbus volgde het hof naar Salamanca. Hier werd hij aan den aartsbisschop van Toledo voorgesteld, den grootkardinaal van Spanje. Deze beroemde kerkvorst had zooveel invloed bij den koning en de koningin, dat men hem den derden koning noemde. Meer en meer werd hij zoo overtuigd van de kracht der bewijzen, waarmee Columbus zijn
plannen verdedigde, dat hij er in toestemde hem in de koninklijke tegenwoordigheid te brengen. Het eerst werd hij waarschijnlijk bij Ferdinand toegelaten. De koninklijke luister kon Columbus niet van zijn stuk brengen, en met groote welsprekendheid beval hij zijn zaak aan. De koning was een sluw, scherpzinnig man, dien men niet gemakkelijk onder den invloed
van romantische droomen brengen kon. Hij luisterde met wijsgeerige koelheid naar den opgewonden pleiter. De eerzucht van den koning werd krachtig geprikkeld door het denkbeeld van de grootheid, die Spanje's deel zou worden, wanneer men in het doen van ontdekkingen en in het verkrijgen van aanzienlijke winsten slaagde. Dan zou Spanje een overwicht over alle volken hebben. Maar
Ferdinand was zeer angstvallig en traag in 't besluiten. Hij riep een Raad van de geleerdste mannen uit Spanje bijeen, om een onderhoud met Columbus te hebben, zijn plannen aan een nauwkeurig onderzoek te
onderwerpen en hem verslag van hun bevinding te doen. De bijeenkomst had in het dominicaner klooster van St. Stephanus, te Salamanca, plaats. De vergadering, op koninklijk bevel bijeen, was door het aanzienlijk ledental indrukwekkend. Zij bestond uit hoogleeraren, uit de hoogste waardigheidsbekleeders in de kerk
en staatslieden van den eersten rang. Ieder gewoon mensch zou er tegen op hebben gezien, om voor zulk een schaar van de geleerdste sterrekundigen en wereldbeschrijvers te verschijnen. Columbus was blij, dat hij gelegenheid kreeg zijn plannen, van welker deugdelijkheid hij overtuigd was, voor te dragen aan wetenschappelijke mannen, die hem, hieraan twijfelde hij niet, hun bijval zouden schenken. Maar spoedig ontdekte hij tot zijn groot verdriet, dat zelfs in het gemoed van de geleerdste mannen, vooroordeel en bijgeloof over de macht van het verstand kunnen zegevieren. De wijsgeeren en ook de geestelijkheid voerden bewijzen tegen hem aan, die nu den spotlust zelfs van de eenvoudigsten zouden opwekken. De volgende woorden van
Lactantius werden aangehaald, omdat zij Columbus' bewering van de rondheid der aarde zegevierend weerlegden. "Zou er iemand zoo dwaas wezen te gelooven, dat er tegenvoeters zijn, menschen, die met hun voeten omhoog en met hun hoofd naar beneden loopen? Dat er een deel van de aarde bestaat, waar alles 't onderstboven staat; waar de boomen met de takken naar beneden groeien,
en waar het regent, hagelt en sneeuwt van den grond af naar boven toe? Het denkbeeld, dat de aarde rond zou zijn, heeft de fabel van de tegenvoeters in de wereld gebracht; want toen deze geleerden eenmaal
op den dwaalweg waren, verkondigden zij nog meer ongerijmdheden, waarvan zij de een met de ander verdedigen." Men verklaarde de plannen van Columbus voor onverstandig, en achtte ze tevens in strijd met de Schrift. Vol te houden, dat er aan den anderen
kant der aarde menschen woonden, was, werd gezegd, afbreuk doen aan de geloofwaardigheid van den bijbel. Volgens dit boek stamden alle aardbewoners van Adam af, derhalve was het onmogelijk, dat sommigen zoo ver zouden hebben kunnen trekken. Maar al nam men aan, zoo werd beweerd, dat de aarde rond was, en dat een schip aan de andere zijde zou kunnen komen, dan zou het toch nooit terugkeeren, daar er geen wind kon zijn, sterk genoeg, om het
over die onmetelijk groote ronding terug te kunnen brengen. Deze godgeleerde en wijsgeerige betoogen beantwoordde Columbus met er waarheden tegenover te stellen, waarmee heden ten dage zelfs de
ongeletterdste vertrouwd is. Ofschoon de vergadering een ongunstig verslag uitbracht, waren er toch vele leden, die door de woorden van Columbus zeer getroffen waren. Tot dezen behoorde Diego de Deza, de latere aartsbisschop van Sevilla. Hij ondersteunde, hoewel vergeefs, de zaak van Columbus zooveel in zijn vermogen was. De meerderheid gaf te kennen, dat het zoowel onwaar als kettersch was aan te nemen,
dat er land zou te vinden zijn, als men van Europa naar 't Westen zeilde. Zulk een verslag werd door een vergadering van de geleerdste mannen nog maar vierhonderd jaren geleden uitgebracht. TWEEDE HOOFDSTUK. EERSTE REIS.
De teleurstelling over den uitslag van de Vergadering te Salamanca was bitter voor Columbus. Maar toch was het plan er door bekend geworden, zoodat er allerwege in Spanje over gesproken werd. Stond de ongelukkige avonturier ook al aan allerlei spotternij bloot, er waren ook velen, menschen van naam en groote bekwaamheid, die zich overtuigd hielden,
dat zijn vermoeden niet met een grimlach behoorde beantwoord te worden. Terwijl dit belangrijk vraagstuk besproken werd, beschouwde men Columbus als iemand, die bij het gezantschap aan het hof behoorde. Het was een tijdperk van groote staatkundige beweging. Alle gemoederen waren vervuld met den hardnekkigen oorlog tegen de Mooren, die nog
maar altijd voortgezet werd. Gedurende den zomer van 1487 bevonden de koning en de koningin zich bij het leger, om het gedenkwaardige beleg van Malaga te voeren. Wegens zijn groote lichaamsgestalte, kon men Columbus overal zien, maar tevens, dat hij in gepeins, en bijna hopeloos van de eene tent naar de andere liep, en telkens, als hij een luisterend oor vinden kon, met zijn verzoek voor den dag kwam. Er lag iets treffends in het voorkomen van dezen grooten man, in eenvoudig gewaad, maar tevens met waardige houding, wanneer hij,
te midden van dat militaire praalvertoon, zich zwijgend voortbewoog. Toen Malaga zich in September overgegeven had, keerde het hof naar Cordova terug. Achttien maanden lang trok het telkens heen en weer, omdat de groote strijd dit vorderde. Columbus deelde in al die verplaatsingen van het hof, nog altijd de hoop koesterende, waarin hij door eenige trouwe vrienden werd versterkt, dat hij eenmaal bij het hof gehoor vinden zou. Door den invloed van deze vrienden, mocht hij
in het voorjaar van 1489 van Ferdinand het bevel ontvangen, om een andere vergadering van geleerden en geestelijken te Sevilla bijeen te roepen. Op nieuw zag hij zich teleurgesteld. De verschrikkelijke
strijd ontbrandde met nieuwe kracht. Vreeselijke veldslagen, waarbij zich oproer, menschenslachting en ellende voegden, waren er het gevolg van. Aller krachtsinspanning was noodig. Aan Columbus en zijn onbesuisde, twijfelachtige plannen viel niet te denken. Zoo ging er een afmattend jaar voorbij. Gedurende deze treurige maanden vertoefde Columbus te Cordova, gelukkig op kosten van het hof. Toen
de lente in 't land kwam, hielden Ferdinand en Isabella zich bezig met het maken van de noodige toebereidselen voor een van de grootste krijgsondernemingen, het beleg n.l. van Granada. Vóór het hof optrok, deed Columbus een wanhopige poging, om gehoor te krijgen, doch hij
ontving het ontmoedigende antwoord, dat de vorsten vóór den afloop van den veldtocht aan hem geen aandacht konden schenken. Die slag trof Columbus geweldig, maar wierp hem evenwel niet ter neer. Nog kon zijn onbedwingbare geest er niet tot wanhoop door gebracht worden. Hij zette zich rustig neer, en ging na, welk hulpmiddel hij nu kon aangrijpen. Men leefde in een tijd van feudale macht en welvaart. De Spaansche
bergen waren bezaaid met de sterke kasteelen van hertogen en baronnen. Columbus wendde zich tot den hertog van Medina Sidonia. Deze machtige heer, wiens kasteel een bijna onneembare vesting was, en geheel uit ijzer en steen bestond, behoorde tot den hoogsten adel in Europa. Wat de glans van zijn hof en levenswijze betrof, kon hij met
koningen wedijveren. Uit eigen middelen verschafte hij de vorsten een heel leger ruiters, honderd oorlogsschepen en een groote som geld. De schitterende onderneming, die Columbus wilde doen, viel voor een poos in den smaak van den hertog, doch bij nader inzien verwierp hij het plan als den droom van een dweper.
Men zegt, dat Columbus toen bij den hertog van Medina Celi ging aankloppen. Hier werd hij aanvankelijk gunstig ontvangen. De hertog stond op het punt drie of vier schepen voor den tocht uit te rusten, maar hij haalde zich in het hoofd, dat de Spaansche vorsten het hem euvel konden duiden, wanneer hij zulk een grootsche onderneming op eigen kosten deed. Daarom liet hij Columbus gaan. Zich zoo bedrogen ziende, besloot Columbus zijn geluk bij het Fransche hof te beproeven. Hij had nu een aantal invloedrijke en vermogende
vrienden, die ongetwijfeld hun beurs voor zijn bescheiden eischen zouden openen. Vóór hij op zijn lange reis naar de Fransche hoofdstad de Pyreneeën overtrok, bezocht hij eerst nog zijn zoon Diego in het klooster van La Rabida, bij Palos. Hij legde de reis te voet of op een muilezel gezeten af. Hadden zijn vrienden hem al een beetje geld gegeven, zeker is het, dat hij de grootste zuinigheid noodig achtte. Hij moest nog een lange en kostbare reis doen, en het was
nog onzeker, hoe hij aan het trotsche hof van den Franschen koning zou worden ontvangen. In een eenvoudig gewaad, door de reis met stof bedekt, stond Columbus vóór de deur van het klooster. Maar noch stof noch kale kleeren konden de aangeboren waardigheid van den man verbergen. Hij was van nature een edelman, die, om zijn aanspraken te rechtvaardigen, den glans van kostbare kleeren niet noodig had. Sedert hij voor de eerste maal aan de deur van dat klooster stond, om wat drinken voor zijn kind te vragen,
waren er zeven jaren van aanhoudende inspanning en teleurstelling voorbij gegaan. Deze verdrietelijkheden en inspanningen hadden zijn lichaam gekromd en zijn haren vergrijsd. Zijn wangen waren gerimpeld, wat zoo licht plaats heeft, wanneer men teleurgesteld wordt en zwaar moet denken. De waardige prior van het klooster ontving den vermoeiden avonturier
met ware, broederlijke vriendelijkheid. Hij was geheel en al overtuigd geworden, dat Columbus' plannen verstandig waren, en de dadelijke en ernstige aandacht van het Spaansche hof verdienden. Toen hij de zekerheid had, dat Columbus over een bezoek aan Frankrijk dacht, ontwaakte zijn vaderlandsliefde en maakte hij zich zeer beangst, dat Spanje den roem van de groote onderneming derven zou. Dadelijk liet hij den geleerden arts ontbieden, van wien wij vroeger spraken,
en deelde hem zijn vrees mee. Ook werden vele andere invloedrijke vrienden uitgenoodigd, om met Columbus over die allergewichtigste zaak te beraadslagen, welke den prior voorkwam zoo belangrijk voor
den roem van Spanje te zijn. In de nabijheid woonde een heer, die om zijn familie, zijn groot vermogen en zijn bekendheid met zeezaken vermaard was. Deze man heette Martin Alonzo Pinzon en was door zijn ondervinding in staat, om de kracht van de door Columbus aangevoerde gronden naar waarde
te schatten. Met vuur omhelsde hij zijn zaak, en beloofde hem niet alleen geldelijken bijstand, maar tevens zijn invloed, om de zaak nog eens weer voor hunne majesteiten Ferdinand en Isabella te brengen. De prior van het klooster was in vroegere jaren kapellaan van de koningin geweest. Hij schreef haar een dringenden brief, en beweerde, dat Spanje zulk een schoone gelegenheid niet mocht verliezen, om boven alle landen uit te steken.
In die dagen kende men nog geen postwagens en evenmin de gemakken, die de post nu geeft. Een ouden afgeleefden zeeman werd de brief toevertrouwd, en dien zond men naar Santa Fé, waar het hof, tijdens het beleg van Granada, toen verblijf hield. De afstand bedroeg ongeveer
150 mijlen. De bode kwam er goed en wel aan, en overhandigde den brief aan de koningin. Niettegenstaande al de zorgen, welke toen haar geest vervulden,
kreeg Isabella er een diepen indruk van. Zij gaf een bemoedigend antwoord mede, en drong er sterk op aan, dat haar geachte vriend, de prior van het klooster, dadelijk bij haar zou komen. Dit antwoord verlevendigde aanstonds weer de hoop in 't hart van Columbus, en bracht groote vreugde in den kleinen kring te La Rabida. Het was midden in den winter, en koude winden woeien over
de naakte bergen en kale vlakten, ook van zuidelijk Spanje. Maar onverwijld besteeg de prior den muilezel, en sukkelde langs den eenzamen weg voort naar het hof. Hartelijk zelfs mocht de ontvangst heeten, die de koningin haar
vroegeren kapellaan bereidde. Ofschoon zij teruggetrokken was en zich niet uitliet, sluimerde er onder dat koele uiterlijk warme genegenheid. Zij luisterde met instemming naar de woorden van den prior. Daar hij een geleerd man was, en door vertrouwelijken omgang met Columbus diens gedachten kende, was hij de rechte man, om zijn plannen op de duidelijkste wijze voor te dragen. De koningin had tot nog toe geen aandacht aan de zaak gewijd, want ofschoon de koning en de vergadering van geleerden ermee in kennis waren gesteld, tot haar
had men zich nog nooit rechtstreeks gewend. De lezer zal zich herinneren, dat Ferdinand alleen koning van Arragon was. Isabella was koningin van Castilië, en had een eigen inkomen, leger en hof. Dadelijk besloot zij Columbus te beschermen. Zij liet hem halen, opdat hij zich onmiddellijk naar Santé Fé begeven kon. Alzoo
geroepen, om een bevel van de koningin uit te voeren, zond zij hem een voldoende som geld tot aankoop van een muilezel en een passend gewaad, om aan 't hof te verschijnen en ter bestrijding van de reiskosten.
Toen de prior met deze aangename tijdingen te La Rabida terugkwam, verheugde men zich daar zeer en nieuwe hoop straalde in de levensmoede ziel van Columbus. Er werd een mooie muilezel gekocht, de reiziger trok een net pak aan, en draafde weldra, als verjongd en door de hoop vroolijk gestemd, over de heuvels en door de schaduwrijke dalen van het schoone Andalusië. Hij kwam nog tijdig genoeg te Granada aan, om te kunnen zien, dat men de vaandels der Mooren van de muren van het Alhambra afrukte, ten einde er de vlaggen van Ferdinand en Isabella voor in de plaats te stellen. Het was het schoonste oogenblik in de regeering van de beide beroemde koningen, en werd als het roemvolste
aangemerkt voor de Spaansche wapenen. Te midden van al die volksvreugde maakte Columbus zijn opwachting bij koningin Isabella. Hij nam niet de houding aan van een nederigen smeekeling, maar van een door God gezonden afgezant, die de nietige gunsten, waardoor hij zijn plannen ten uitvoer kon brengen, met groote schenkingen vergold.
Beleefd sprak hij tot de koningin: "Ik verlang slechts een paar schepen en eenige matrozen, om op den oceaan tusschen de 2 à 3 duizend mijlen westwaarts te varen. Ik zal zoo Uwe Majesteit een korteren weg naar Indië aanwijzen, en tot hiertoe onbekende volken leeren kennen, die machtig zijn en verbazende
rijkdommen bezitten. Tot loon vraag ik alleen de aanstelling tot Onderkoning over de rijken, die ik ontdekken zal, en het tiende deel van de winsten, die er uit mogen voortvloeien." De hovelingen van de koningin waren verwonderd, want de eischen van Columbus kwamen hun buitensporig en vermetel voor. In hun oog
was hij maar een arme zee-kapitein, dien niemand kende en die, daar hij geen vrienden had, de hulp der koningin kwam inroepen, waardoor hij in staat zou zijn een zeereis te doen. En hij vroeg
toch ter belooning rijkdom en eer, waardoor hij een rang naast de kroon zou innemen. Onder den invloed dezer voorstellingen van invloedrijke hovelingen, riep de koningin Columbus weer aan 't hof,
en stelde hem matiger eischen voor. Maar hij bleef op zijn stuk staan, en wilde niets laten vallen. Het denkbeeld van zich te gaan inschepen voor een grootschen tocht als een bloot werktuig van een vorst, een huurling, streed met zijn trotschen aard. Isabella, verdrietig over zijn weigering, zag van Columbus en zijne eischen af.
Dit was het droevigste uur in het leven van den grooten ontdekker. Geen ster, als voorbode van een mogelijken dageraad, vertoonde zich aan de kimmen. Verdrietig zadelde hij zijn muilezel weer, en nam langzaam en moedeloos de terugreis naar zijn vrienden te La Rabida aan. Hij dacht
er over na, of het wel de moeite loonen zou naar Frankrijk te gaan, en daar zijn dikwijls versmade diensten aan te bieden. Maar toen hij het kabinet van de koningin verliet, was zij zeer
ontsteld. Het karakter van dezen man en zijne grootsche plannen hadden den diepsten indruk op haar gemaakt. Zij kon de gedachten, door hem opgewekt, niet verdrijven. Als zij naging, welk verlies Spanje lijden zou, wanneer een ander hof zijn diensten aanvaardde, en zijn plannen
niet ijdel bleken te wezen, dan had zij geen rust. Toevallig kwam juist op dat oogenblik Ferdinand in haar kabinet. Zij deelde hem haar zorg mee, waarop hij zeide: "De koninklijke schatkist is door den oorlog geheel uitgeput." Voor een oogenblik zweeg de koningin en
dacht over de zaak na. Op eenmaal rijpte een onveranderlijk besluit in haar geest. Met geestdrift riep zij uit: "Ik zal ten behoeve van mijn eigen kroon van Castilië de onderneming doorzetten en mijn eigen
juweelen verpanden, om het noodige geld te krijgen." De morgenster was voor Columbus opgegaan, maar hij had haar niet gezien, omdat hij de oogen niet opwaarts, maar naar den grond geslagen had. Op dat oogenblik zwoegde hij in het zand, en had nog maar eenige mijlen van den weg afgelegd. Toen hij een donker pad tusschen de bergen in wilde slaan, hoorde hij een stem achter zich. Hij keerde zich om, en zag een hoveling in allerijl naderen. De bode verzocht hem uit naam van de koningin, om terug te keeren. Een oogenblik aarzelde Columbus, of hij aan het bevel gehoorzamen
zou. Niets dan teleurstelling was zijn deel geweest, en had hem er toe gebracht, het Spaansche hof volstrekt niet meer te vertrouwen. Het kwam hem voor, dat beide vorsten, onwillig om hem in zijn onderneming bij te staan, nog minder hebben wilden, dat hij in dienst van een
anderen monarch kwam, zoodat het gebeuren kon, dat een andere kroon den roem verwierf, dien Spanje verworpen had. Aangezien de renbode hem echter de verzekering gaf, dat de koningin hem in ernst gaarne
weer wilde zien, wendde hij den teugel en reed terug, om een nieuw onderhoud met Isabella te hebben. Was de koningin traag in het besluiten, vlug was zij in de uitvoering
er van. Aanstonds maakte zij aan Columbus bekend, dat zij van harte al zijn eischen inwilligde, en dadelijk bereid was tot een voegzamen tocht mede te werken. Hij werd benoemd tot Admiraal en tot Onderkoning van al
de landen, die hij ontdekken zou, en een tiende deel van de voordeelen, die de reis mocht opleveren, was voor hem. Pinzon verzocht, dat hij 1/8 van de winsten genieten zou, als hij ook 1/8 van de uitgaven voor zijn rekening nam, en deze schikking werd gemaakt. Eindelijk
was dus het gewichtige vraagstuk opgelost. Columbus was misschien de gelukkigste man van de wereld, toen hij naar Palos terugkeerde. Weinig zal hij gedacht hebben, dat zijn loopbaan stormachtig wezen zou, vol teleurstellingen, beleedigingen en ellende, zoodat hij van verdriet sterven zou.
Onmiddellijk werd er een koninklijk bevel uitgevaardigd, dat de stad Palos twee kleine schepen leveren moest, voldoende bemand en van levensmiddelen voor de reis voorzien. Door zijn vriend Pinzon leverde Columbus zelf een ander, zoodat hij de onderneming met drie schepen kon beginnen. Twee van deze schepen waren lichte barken, of, zooals ze in dien tijd heetten, karveels. Voor de officieren waren er kajuiten, en bakken voor het scheepsvolk, maar een gemeenschappelijk
dek was er niet. Het derde schip kreeg den naam van Santa Maria, en moest voor den admiraal dienen. Het was geheel overdekt en telde 16 manschappen. Over de Pinta voerde Martin Alonzo Pinzon het bevel met 30 man aan boord. De Nina was bemand met 24 matrozen, onder bevel van Vincent Yanez Pinzon. Alle schepen waren klein en niet grooter dan
honderd ton, en dus zooals de Amerikaansche jachten, waarmee een tocht over den oceaan gedaan is van New-York naar Cowes, maar wat zelfs nog in 1867 als een voorbeeld van stoutmoedigheid werd beschouwd. Maar Columbus vond ze zeer geschikt voor de onderneming. Alle personen, die den tocht mede maakten, meegerekend was er 120 man.
Naar het volksbegrip was de onderneming uitermate gevaarlijk, bijna heiligschennend en God verzoekend. Zij werd nog roekeloozer geacht, dan in onze dagen de poging, om met een luchtballon over den oceaan
te trekken, zou genoemd worden. Het was derhalve moeilijk, om volk te krijgen. De regeering was dan ook ten slotte genoodzaakt tot geweld over te gaan, en zeelieden tot den kruistocht te dwingen.
In den vroegen morgen van den 3n Augustus 1492, juist toen de zon uit de golven van den oceaan opkwam, haalde de kleine vloot de zeilen op voor den avontuurlijksten en gevaarvolsten tocht, waarvan de wereldgeschiedenis gewaagt. Men was te bewogen, om vroolijk te wezen. Geen hoera! werd gehoord, en luidruchtigheid was verre. Getabbaarde priesters brachten de zeelieden aan boord. Toen de zeilen ontplooid waren en de zwakke vaartuigen door een gunstigen wind langzaam uit het gezicht verdwenen,
schreiden en weeklaagden allen, die achtergebleven waren, en hun hart was door een somber voorgevoel beangst. Met het eerste gedeelte van den weg, dien Columbus wilde volgen, was hij zeer vertrouwd. Aanstonds zette hij koers naar de Kanarische eilanden. Er waaide een frissche, gunstige bries, en alles ging heel goed. De bemanning der drie schepen bestond, zooals wij vroeger opmerkten, uit domme en bijgeloovige menschen, waarvan velen tot den dienst geprest waren. Toen zij de bergen van hun geboorteland achter
zich zagen verdwijnen, werden zij door vrees overmand. Reeds bij het begin van de reis openbaarden zich teekenen van ontevredenheid en bijna van oproer. Van een der schepen ging op den derden dag reeds het roer verloren. Columbus kon op goede
gronden aannemen, dat het door sommige ontevredenen met opzet was veroorzaakt. Gelukkig wist de bevelhebber door zijn kennis en ervaring het ongeval eenigszins te verhelpen. Maar toch was het schip zoo gehavend, dat het alleen met de andere mee kon komen, als de
zeilen ten deele inkrompen. Een reis van zeven dagen bracht hen in het gezicht van de Kanarische eilanden, en zij hadden dus van Palos af gerekend, ongeveer duizend mijlen afgelegd. Hier werd Columbus drie weken opgehouden. Het gehavende schip werd voor onzeewaardig
verklaard. Maar zij kregen gelukkig een ander schip en De Pinta kreeg een nieuw roer, terwijl men het schip nog sterker trachtte te maken, ten einde er de reis mee te kunnen doen.
Na een oponthoud van drie weken werden de zeilen voor de tweede maal geheschen. Nu bevoer men onbekende zeeën, want de Kanarische eilanden vormden toen de grenzen van de bekende wereld. Nauwelijks waren de eilanden uit het gezicht, of er ontstond een volkomen windstilte. Drie dagen lang dreven de schepen zonder vooruit te komen op de spiegelgladde baren van den oceaan. Op nieuw verloren de zeelieden den moed.
Op den 9en September kwam er een fiksche bries, die de zeilen deed zwellen, zoodat zij flink vorderden. Het was Zondagmorgen; een wolkenlooze hemel en de schijnbaar grenzenlooze Oceaan omringden hen. Toch was er geen vreugde op de schepen. Alleen werden ontevreden
blikken gezien, morrende woorden gehoord. Columbus deed al wat hij kon, om de moedeloosheid der zeelieden te verdrijven en hun een deel van zijn eigen geestdrift in te boezemen. Bemerkende, dat hun vrees van nimmer weer huiswaarts te kunnen gaan met iedere mijl, die men vorderde, grooter werd, bedacht hij een list, om nl. dubbele aanteekening te houden van hun vorderen per dag. De een was voor
hem zelf, en de andere moest aan de zeelieden getoond worden, om hun den indruk te geven, dat de afgelegde weg veel kleiner was dan met de werkelijkheid overeenkwam. Dagen van grooten angst en
aanhoudende waakzaamheid gingen langzaam voorbij, terwijl Columbus met den grootsten spoed het doel trachtte te bereiken, dat hij, hiervan hield hij zich overtuigd, weldra bereiken zou. Het is eenigszins zonderling, dat hij geen land meende te zullen vinden binnen den afstand van omstreeks 3000 mijlen. Nog bevond hij zich op een watervlak, waarop nooit het oog van een mensch gerust
had. Niemand kon zeggen, welke voorwerpen zich aan hen zouden voordoen. Columbus stond op het dek en gaf zorgvuldig op alles acht, tot dat de laatste avondstralen verdwenen. Zoodra de morgen aanbrak, stond hij alweer op den boeg op wacht. Met de grootste nauwkeurigheid gaf hij acht op de verandering in de kleur van de lucht, de tint van het water, den vorm van de wolken en de windrichting. Den 14en September
vloog er des nachts iets vurigs door de lucht, dat slechts een paar mijlen van hen af in zee viel. Dit vermeerderde grootelijks den angst van de bijgeloovige matrozen.
Zij kwamen in het gebied der passaatwinden, en werden dagen aaneen van het oosten naar het westen voortgedreven. Ook dit sloeg hun den schrik om 't hart. Nooit meenden zij terug te kunnen keeren. Zij waren in de heete zone gekomen en vonden de lucht wonderbaarlijk zacht. 't Was een genot, die in te ademen. De moed van Columbus werd zeer opgewekt toen hij groote hoeveelheden drijvend zeegras of wier zag,
dat, dit wist hij, van westelijke kusten moest losgerukt zijn. Op een van die hoopen gras vingen zij een levende krab. Dag aan dag blies de regelmatige, aangename wind in de zeilen, terwijl de zee, zooals Columbus opmerkte, zoo kalm was als de Guadalquivir te Sevilla. Teekenen van naderend land verlevendigden de hoop van het
scheepsvolk. Een rijke belooning werd dengene toegezegd, die het eerst land zou ontdekken. Op den avond van den 18en September zag men een menigte landvogels, die naar het noordwesten vlogen. Ook zag men in die richting wolken drijven, zooals die gewoonlijk boven het land hangen. Columbus ging peilen, maar kon geen grond voelen.
Op nieuw werd het scheepsvolk benauwd met het oog op de verbazend groote watervlakte, die hen thans van het vaderland scheidde. Columbus had alle gezag noodig en moest veel takt gebruiken, om die vrees weg te nemen. Gelukkig vermenigvuldigden zich de bewijzen, dat men in
de nabijheid van land kwam. Verscheidene landvogels zetten zich op het schip neer, en sommigen waren zoo klein, dat zij blijkbaar niet ver konden vliegen. Toch kon men nog geen grond peilen. Weer werd de zee doodstil. De oceaan werd zoo glad en effen als een spiegel, en de zuiderzon scheen zoo fel, dat het dek der schepen begon te blakeren. Op den 25en rees de zee, zonder de minste verheffing van
den wind, verbazend hoog. Ongetwijfeld was dit het gevolg van een verwijderden storm, die het water opzette. De oproerige gezindheid van de schepelingen veranderde met de
wisselingen, die zij hadden. Columbus echter bewaarde een opgeruimd voorkomen en verloor zijn zelfvertrouwen niet. Sommige misnoegden bevredigde hij door vriendelijke woorden, anderen hield hij door bedreigingen in ontzag en eenigen kregen een voorbeeldige straf. Op nieuw verhief de wind zich een weinig, die wel de oppervlakte der zee nauwelijks rimpels gaf, maar toch de zeilen deed zwellen. De schepen
bleven zoo dicht bij elkander, dat Columbus gemakkelijk met de andere officieren spreken kon. Terwijl ze zoo aan 't praten waren, hoorden ze op eens een luiden gil van De Pinta. Een man op het achterschip wees naar het zuidwesten en schreeuwde zoo hard hij kon: "Land,
land! Ik eisch de belooning!" Aller oogen wendden zich naar dien kant en men zag op een afstand van ongeveer 60 mijlen een bergketen met wolken bedekt. Een onbeschrijfelijke geestdrift bezielde al de schepelingen. Zij klommen in het want, in de masten en keken allen denzelfden kant uit. Het was laat in den middag. De korte schemering der
keerkringslanden verdween, en nachtelijke duisternis bedekte weldra den oceaan. Den geheelen nacht door stuurden de schepen op het verwachte land aan. Met het eerste morgenkrieken stonden allen op het dek. Tot
hun bittere teleurstelling zagen ze niets meer aan den horizon. Geen zweem van een wolk zelfs was te bespeuren. Toch was de wind gunstig, de zee kalm en het klimaat heerlijk. Dolfijnen speelden om den boeg; vliegende visschen sprongen op het dek en de matrozen vermaakten zich,
zoo wordt verhaald, met om het schip heen te zwemmen. Volgens de eigen berekening van Columbus, was men nu 2022 mijlen van de Kanarische eilanden af, maar volgens de opgave, die men aan de matrozen te zien gaf, had men nog maar 1740 mijlen afgelegd. Nog
verliepen er een paar dagen waarop men weinig vorderde, toen er zich op nieuw een geest van ontevredenheid en verzet openbaarde. Hij werd evenwel spoedig onderdrukt door de verschijning van groote koppels vogels en andere aanwijzingen, dat er land in de nabijheid lag. De verlangende zeelieden maakten dikwijls valsch alarm, en hielden verwijderde wolken voor bergtoppen. Om dit tegen te gaan, bepaalde Columbus, dat hij, die land! riep, en men dan nog in geen drie
dagen land zag, alle aanspraak op de belooning verbeuren zou. Men verhaalt, dat Columbus omstreeks dezen tijd met zijn scheepsvolk de overeenkomst sloot, dat hij van de onderneming zou afzien, als men binnen drie dagen geen land ontdekte. Maar voor dit verhaal ontbreken deugdelijke bewijzen. Gelukkig wordt dit vertelseltje door het dagboek van Columbus zelf,
dat elken dag met den grootsten eenvoud bijgehouden is geworden, weersproken, en blijkt het, dat hij op den eigen dag, die aan de ontdekking voorafging, zijn vast besluit te kennen had gegeven, om te volharden ondanks alle gevaren en moeilijkheden.
DERDE HOOFDSTUK. ER WORDT LAND ONTDEKT. Juist, toen het oproerige scheepsvolk wanhopig begon te worden, kreeg men het onbetwistbare bewijs dat er dichtbij land was. Andere bossen gras vond men, zooals aan de kanten van rotsen en rivieren aangetroffen wordt. Men vischte een tak van een meidoorn op, waaraan nog groene blaadjes en bessen zaten. Ook vonden zij, en dit gaf nog den meesten
moed, een stuk van een plank en een stok, die keurig besneden was. Aan boord van het admiraalschip werden geregeld godsdienstoefeningen gehouden. De admiraal scheen dezen avond bijzonder ernstig gestemd
te zijn. Wel was hij altijd ernstig, bezadigd en bedachtzaam, maar nu scheen zijn gemoed overstelpt te zijn door de bewustheid, dat hij nu op het punt stond, om te volvoeren, wat hij levenslang gehoopt had. Op ernstige wijze sprak hij het scheepsvolk toe, bracht in herinnering, hoezeer God hen beschermd had, en verzekerde hun, dat zij naar zijn
oordeel nu ongetwijfeld het land naderden, dat hij verwacht had te zullen vinden. Ja, hij geloofde, dat zij nog dienzelfden nacht aan land zouden komen. Hij gaf bevel, om goed wacht te houden, en voegde aan de belooningen van de souvereinen nog de gift van een fluweelen wambuis toe aan hem, die het eerst de kust zien zou. Des nachts wakkerde de wind aan en snel kliefde de kleine vloot de golven. De Pinta zeilde het hardst en was een weinig vooruit. Zeven en zestig dagen was het nu geleden, dat de Spaansche hooglanden aan
de oostelijke kim verdwenen. Het was de 11e October 1492. Geen wolk was er aan den tropischen hemel, waaraan de sterren fonkelden, te zien. Een stevige en frissche bries zweepte de baren voort, die bijna
geen rimpels hadden. De harten van allen waren zeer opgewekt. Bijna niemand op de drie schepen sliep, en Columbus stond op den boeg van zijn vaartuig, en keek met een vurig verlangen naar den gezichteinder. Omstreeks 10 uren trof het flauwe schijnsel van een flambouw zijn
oog. Voor een oogenblik kon men de vlam heel goed waarnemen, en dan werd zij weer geheel onzichtbaar. Zijn hart klopte van aandoening. Was het een tochtverschijnsel, een gezichtsbedrog of een licht van het land? Bevende van opgewondenheid zag hij het licht op nieuw en nu zeer duidelijk, onbetwistbaar. Aanstonds riep hij Pedro Gutierrez tot zich, een van de aanzienlijkste heeren van zijn metgezellen. Deze
zag het licht eveneens. Toen riepen zij een derde, Rodrigo Sanchez, die den tocht meemaakte als vertegenwoordiger en verslaggever van hun Majesteiten. Maar het licht was weer weg. Spoedig echter zag men het weer en ook Sanchez zag het. Toch kon het nog wel een tochtverschijnsel wezen. Een flambouw op het land was hun ook iets onverklaarbaars. In
het dagboek staat: "Het leek een kaars, die op en neer ging, en Christophorus twijfelde niet, of het was wezenlijk een licht en op het land. En het bleek ook waar te wezen, want het kwam van lieden, die met lichten van de eene hut naar de andere gingen."
Deze schijnsels duurden evenwel maar zoo kort, dat er door de anderen op het schip niet veel waarde aan werd gehecht, ofschoon Columbus vast overtuigd was, dat het licht van het land was. Zoo zeilde de kleine vloot nog 4 uren lang voort, toen er, des morgens te 2 uur, door een der matrozen van De Pinta, die Rodrigo de Triana heette, land werd gezien. Een kanonschot van De Pinta kondigde het heuglijk
nieuws, dat er land ontdekt was, aan. Heel spoedig waren de nog wel donkere, maar zeer duidelijke omtrekken van het land op alle schepen te zien. De beloofde jaarwedde van 10,000 maravedis aan hem, die het eerst land zien zou, werd Columbus toegewezen, ofschoon vele meenden, dat zij Rodrigo de Triana rechtmatig toekwam. De overige uren van den nacht gingen spoedig voorbij. Helder en
schitterend daagde de morgen, en ontrolde aan het verrukte oog van Columbus een tooneel, waarbij het paradijs het nauwlijks halen kon. Daar lag een laag eiland voor hem in de rijkste weelde en bloei der keerkringsgewesten. De boomgaarden, vlakten en parken der natuur spreidden zich in alle richtingen uit. Tal van inboorlingen zag men uit de bosschen komen, en in een toestand van groote opgewondenheid langs het strand loopen. Zij waren allen moedernaakt. Vermoeid als de reizigers waren door zooveel weken lang niets dan water te zien, had het tooneel, dat zij nu aanschouwden, voor hen de bekoring van
een feeënland. Van elke karveel liet men de boot zakken. Nadat zij bemand waren, nam Columbus, zeer rijk in purperkleurig gewaad gekleed en met Castiliaansche pluimen op den hoed, de leiding ervan op zich. Het
spreekwoord zegt: "Op een afstand lijkt alles mooi," maar toen zij dichter bij land kwamen, werd het gezicht al schilderachtiger en mooier. De woningen der inboorlingen stonden in de uitgestrekte boschjes overal verspreid. Hoogten en laagten stonden vol boomen, die zelf even als hun gebladerte er vreemd uitzagen. Verbazend veel bloemen waren er van de schitterendste kleuren, zooals de avonturiers
nog nooit hadden gezien. Vruchten, van allerlei vorm en kleur, hingen aan de boomen. Vooral maakt Columbus gewag van het gezang der vogels, dat de lucht vervulde; van de zuivere en welriekende lucht en van het kristalheldere water. Zoodra Columbus aan land stapte, viel hij op de knieën en dankte God. De matrozen schaarden zich om hun beroemden leidsman, volgden
zijn voorbeeld en schaamden zich over hun oproerig gedrag. Velen weenden, kusten zijn handen en smeekten om vergeving. Zij, die het lastigst waren geweest, vleiden nu het meest, kropen nu het laagst,
want zij hoopten gunsten te ontvangen, waardoor zij zich zouden kunnen verrijken en tot den adelstand verheffen. Met indrukwekkende, godsdienstige gebruiken plantte Columbus nu de
Spaansche vlag op het strand. In vrome erkenning van Gods goedheid, die hen zoo ver had geleid, noemde hij het eiland San Salvador. Toen vorderde hij van de bemanning der drie schepen den eed van trouw aan hem als Admiraal en Onderkoning van al de rijken, die men nu
zou betreden. De inboorlingen stonden er schroomvallig omheen, en keken al die bewegingen met diep ontzag aan. Men verhaalt, dat, toen zij voor het eerst de schepen zagen, die zich schijnbaar van zelf voortbewogen en hun verbazend groote vleugels introkken, zij die voor zeemonsters hielden of voor vogels, die op reusachtige vleugels uit hun
luchtverblijven afdaalden. Toen de zeelieden met hun schitterende maliënkolders, vreemde kleeding en oorlogswapenen aan wal stapten, vluchtten zij van schrik in de bosschen. Maar toen zij zagen, dat ze niet vervolgd werden, en wij geen vijandige bewegingen maakten,
kwamen ze langzaam terug. De gebiedende gestalte van Columbus, zijn verheven wijze van doen, zijn scharlaken kleeding en de eerbied, welken al zijn metgezellen hem bewezen, maakten, dat de inboorlingen
met de grootste vereering tot hem opzagen. De inboorlingen geloofden over het algemeen, dit wordt telkens getuigd, dat de Spanjaarden uit de lucht gekomen waren. Een hunner opperhoofden onderzocht later dan ook, hoe zij naar beneden gekomen waren, òf vliegend òf door nederdaling op de wolken. Daar er dus twee partijen waren, die elkander aankeken, was de verbazing wederkeerig. Het tooneel, dat zich aan de Spanjaarden voordeed, was even buitengewoon als dat, wat de inboorlingen
aanschouwden. Het landschap was in al zijn afwisseling zoo nieuw voor de vreemdelingen, alsof zij op een andere planeet waren gekomen. Boomen, vruchten, bloemen, alles was heel anders, dan wat zij tot nog toe hadden gezien. Het klimaat scheen volmaakt, want het was warm en toch niet drukkend; men gevoelde evenmin rilling, als men
van overmatige hitte last had. De paradijs-onschuld, de zedigheid en eenvoud van de inboorlingen wekten hun verwondering en bewondering op. Hun gele tint vindt men nog mooi. Hun fraai geronde leden hadden regelmatige en bevallige vormen, die met de wereldberoemde beelden van Venus en Apollo zouden hebben kunnen wedijveren.
Waren de bijgeloovige inboorlingen door het gezicht van wezens, die òf uit de lucht waren neergekomen òf uit de diepte opgerezen, zooals zij meenden, getroffen, sterker is de indruk wellicht bij de Spanjaarden geweest.
Columbus meende, dat hij op het uiterste eiland van Indië geland was. Daarom noemde hij de inboorlingen dan ook Indianen. Dien naam hebben langzamerhand alle bewoners van de nieuwe wereld gekregen. Toen de inboorlingen ondervonden, dat de vreemde bezoekers
hun geen kwaad deden, werden zij langzamerhand vertrouwelijk en welwillend. Zij overlaadden de Spanjaarden met de sterkste bewijzen hunner gastvrijheid. De matrozen liepen zonder vrees door de
bosschen, en aten de vroeger nooit geproefde vruchten, die aan zoo vele takken zaten. Dat Columbus van nature een goedhartig man was, schijnt onwedersprekelijk; maar door den invloed van de domheid dier dagen, maakte hij zich later aan vele wreedheden schuldig. Hij stal de harten van de inboorlingen geheel door hun eenige blinkende kraaltjes of tingelende klokjes te geven. Zij beschouwden die als dingen van onschatbare waarde. De mooie meisjes, die zich zeer zedig gedroegen, hingen die klokjes
om haar midden en dansten vroolijk, terwijl zij naar het getingel luisterden. Columbus vertelt in zijn beschrijving, dat zij geen kroeshaar hadden als de Afrikanen, maar dat het lang en zeer zwart was, en meestal op de schouders hing. Opdat het haar niet over de oogen hangen zou, werd het van voren afgeknipt. Haar gelaatstrekken maakten een aangenamen indruk en zij hadden hooge voorhoofden en prachtige oogen. Zij hebben een licht koperen kleur en soms vergeleek men die
met de kleur van nieuwe gouden munten. Een zaak trof de vreemdelingen zeer, n.l. dat alle inboorlingen, die zij zagen, beneden de 30 jaar waren. Oude menschen schenen niet onder hen te zijn. Wat kon dit beduiden? Maar er was iets anders nog, dat de aandacht van de nadenkenden opwekte en bewees, dat men niet in het paradijs gekomen was. Zij bezaten strijdknodsen en scherp gepunte werpspietsen, voorzien van de verscheurende tanden van een haai. Toen Columbus daarvan door teekens
sprak, gaven zij te kennen, dat zij in den oorlog gebruikt werden om aan te vallen of aanvallen af te weren. En sommigen van hen wezen op de wonden, die zij in het gevecht bekomen hadden.
Des avonds keerden alle Spanjaarden naar de schepen terug. De nacht ging rustig voorbij, ofschoon men van opgewondenheid niet slapen kon. Zoodra het licht werd, verzamelden zich vele inboorlingen van alle kanten van het eiland aan het strand, om dit vreemde tooneel te zien. Zij stelden zooveel vertrouwen in de vreemdelingen, dat velen
van hen in zee sprongen en naar het schip zwommen. Het water scheen hun natuurlijk element te zijn. Zij bezaten vele schuitjes, die uit boomstammen bestonden, welke met veel moeite waren uitgehold. Enkele er van waren zoo klein en licht, dat er slechts één man in zitten kon, andere zoo groot, dat wel veertig gewapende krijgslieden er plaats in vinden konden. Deze kano's hadden geen kiel en kantelden daarom licht om, maar dit
telden de inboorlingen weinig. Zij zwommen er omheen als eenden, zetten de kano overeind, hoosden er het water met kalebasschalen uit, en sprongen er weer in, welk een en ander slechts eenige oogenblikken oponthoud veroorzaakte. Het was een groote teleurstelling voor Columbus, dat deze menschen
zoo ontzettend arm waren. Ofschoon zij in een heerlijk klimaat en in geriefelijke hutten woonden, vruchten in overvloed hadden en geen kleeren behoefden, bezaten zij niets, waarmede Columbus zijn schepen bevrachten en zich zelf en zijn metgezellen verrijken of
de begeerlijkheid van den Spaanschen vorst bevredigen kon. De arme inboorlingen hadden niets dan prachtige papegaaien, die zij uit liefhebberij tam maakten, en ballen van katoenen garen. Deze ballen waren wel eens 25 pond zwaar en zouden op de markten in Spanje veel
waard zijn geweest. Ook hadden zij een soort van eigengemaakt brood, dat uit een wortel, Juca geheeten, vervaardigd werd, en een smakelijk voedsel voor de eilandbewoners opleverde, maar geen belangrijk
handelsartikel kon zijn. Toen Columbus den volgenden dag te midden van een groote menigte inboorlingen landde, zag hij vele meisjes, die gouden sieraden droegen, niet in de ooren, maar aan den neus. Dat glinsterend metaal boeide spoedig zijn oog. Gretig verruilden de Indiaansche schoonen die eenvoudige gele tooisels voor prachtig gekleurde kralen van geringe
waarde. Met belangstelling onderzocht Columbus, waar dit goud van daan kwam. Het is verbazend moeilijk, om wat gewaar te worden, wanneer alleen de gebarentaal kan gebruikt worden; en die moeilijkheid wordt nog veel grooter, wanneer die gebaren van beschaafden door wilden moeten worden
verstaan en omgekeerd. Daarom werd Columbus stellig grootelijks misleid door de aanwijzingen, die hij van de inboorlingen geloofde ontvangen te hebben. Hij meende verstaan te hebben, dat er op eenigen afstand zuidwaarts een machtig opperhoofd woonde, die grooten overvloed van goud bezat, en die op schalen van dit kostelijk metaal werd bediend. Ook had hij den indruk gekregen, dat er in het noorden volken
woonden, die dikwijls gewapend optrokken, om de zuidelijke stammen aan te vallen, en daarna met grooten buit aan goud terugkeerden. Met zijn vurige verbeelding waande hij van een prachtige stad te hebben hooren spreken met schitterende paleizen, niet ver van de plaats waar zij nu waren, en dat hij in de landbouw-distrikten aangekomen was van een der schoonste landen van de aarde.
Zoo ging de 13e October voorbij. Voor de zeereizigers was het een merkwaardige dag, want er was opgewektheid en vreugde. Den volgenden morgen begaf Columbus zich met zijn manschappen in de booten, om het eiland te gaan verkennen. Belangrijker verkenningstocht, in de morgenuren van een tropischen dag begonnen, en omringd door
wonderbaar schoone en nooit aanschouwde tooneelen, kan men zich moeilijk voorstellen. Columbus zei, dat het eiland door koraalriffen ingesloten was, die slechts een nauwen doortocht overlieten; voorts, dat tusschen die riffen diepe en veilige ankerplaatsen lagen, groot genoeg, om de schepen van de geheele wereld te bevatten. Op deze
lieve plek begon de tocht, en men zette koers naar het noordoosten. Het eiland bleek zeer houtrijk te wezen, en, behalve dat er verscheidene riviertjes waren, was er middenop een groot meer. Tal van schilderachtige dorpen, die als verscholen lagen in de schoonste boschjes, voeren de reizigers, die met hun booten dicht bij de kust
bleven, voorbij. Overal kwamen de bewoners, zoowel mannen en vrouwen als kinderen, naar het strand, en liepen met de booten mee. Van tijd tot tijd vielen sommigen op de knieën en maakten zekere bewegingen, die de Spanjaarden of voor een uiting van dank aan God hielden, dat zij aangekomen waren, of voor eerbewijzingen, omdat men hen voor
hemelsche wezens aanzag. Door onbedrieglijke gebaren noodigden de inboorlingen hen uit aan land te komen; hun tevens versch water en heerlijke vruchten aanbiedende. Toen de booten haar tocht vervolgden, sprongen verscheiden
inboorlingen in zee, en zwommen ze achterna, waaruit duidelijk bleek, dat ze zoowel in 't water als op het land in hun element waren. Anderen volgden in kano's. De goedhartige admiraal ontving allen met de grootste vriendelijkheid, en maakte hen hoogst gelukkig met eenige snuisterijen, welke zij als hemelsche geschenken aannamen. Columbus
verklaart bij herhaling, dat de inboorlingen hen voor engelen aanzagen. Dit is echter eenigszins twijfelachtig. Door teekens toch kan men niet gemakkelijk zijn meening uitdrukken. En men mag te recht vragen,
of de inboorlingen ook maar een flauw begrip hadden van werelden, waar engelen wonen, zooals het christendom leert. Zoo dreven de roeibooten voort, tot zij eindelijk een vrij belangrijke kaap bereikten, waarop zes Indiaansche woningen stonden, omgeven door bosschen en tuinen, waarvan Columbus verklaarde, dat zij net zoo mooi waren als die, welke men in Castilië aantrof. Hier gingen zij aan wal, om wat te rusten en
zich te verkwikken, waarna zij zich gereed maakten, om naar de schepen terug te keeren. Ze namen zeven inboorlingen mee om die de Spaansche taal te leeren en ze als tolken te gebruiken. Nog dienzelfden avond werden de zeilen geheschen, en stevende men naar 't zuiden. VIERDE HOOFDSTUK.
EEN TOCHT DOOR DE EILANDEN. Uit de beschrijving van Columbus blijkt niet duidelijk, of er van San Salvador werkelijk eilanden te zien waren. Misschien ging hij op het getuigenis van de inboorlingen af. Volgens de bewering van Marco Polo, deelden de Indianen, die zich op 't schip van den admiraal bevonden, hem mee, dat het aantal eilanden
in deze zeeën ontelbaar was, en dat de bewoners er van meestal met elkander in oorlog waren. Zij gaven de namen van meer dan honderd dezer eilanden op. Spoedig kregen zij in het zuidwesten een zeer groot eiland in het oog, dat omstreeks vijftien mijlen van hen af was. De Indianen stelden de bewoners daarvan als veel rijker voor dan die van San Salvador, en zeiden, dat zij armbanden en andere groote sieraden droegen van zuiver goud.
Aangezien de nacht op handen was, en men zich in onbekende zeeën ophield, gaf Columbus bevel, om tot den volgenden morgen te blijven liggen. Toen de zon opkwam werden de zeilen weer opgehaald, maar de voortgang werd door tegenstroomen en ongunstigen wind zoo vertraagd, dat de zon reeds onderging, toen zij bij het eiland ten anker
kwamen. Den volgenden morgen gingen zij met de booten aan land. Hier zagen zij volmaakt dezelfde tooneelen als op San Salvador. Het klimaat, het gebladerte, de bloemen, alles was net gelijk; ook de inboorlingen maakten geen verschil; ook dezen waren naakt, goedwillig en vriendelijk en hadden evenmin goud. Columbus zocht overal, maar
te vergeefs, naar gouden versieringen aan armen of beenen. Of zij in de verbeelding van de Indianen of in die van hemzelf bestonden, is niet uit te maken. Hij nam echter dit eiland in bezit, alweer met vertoon van godsdienstige gebruiken, waarnaar de inboorlingen met kinderlijke verwondering keken. Hij gaf het den naam van Santa Maria,
en zeilde toen weer weg, om de reis voort te zetten. Juist toen zij het anker lichtten, gebeurde er iets, dat helaas! duidelijk aantoont, dat enkele inboorlingen althans, die
op het schip van den admiraal waren, geen vrijwillige tolken, maar gevangenen waren. Toen een van de Indianen van San Salvador, die op De Nina was, waarop Vincent Yanez Pinzon bevel voerde, op een kleinen afstand een groote kano zag, die vol inboorlingen was, sprong hij in zee, en wist door zoo vlug als een visch te zwemmen, te ontsnappen en werd door zijn landslieden opgenomen. Wel werd er aanstonds een boot
uitgezonden om hem te vervolgen, maar de wilden roeiden zoo hard, dat zij den oever bereikten vóór men hen kon achterhalen, en met de snelheid van hinden verdwenen zij in de bosschen. De zeelieden voerden hun kano als buit mee naar het schip. Het was een zeer onrechtvaardige handelwijze, die zelfs de onwetendste barbaar moest veroordeelen. Toch werd spoedig daarop een nog afschuwelijker
daad door de matrozen gepleegd. Een Indiaan, die gehoord had, dat de Spanjaarden katoen wilden koopen, begaf zich geheel alleen in zijn biezen kano naar het schip van den admiraal. Toen hij bij den boeg kwam, hield hij het katoen omhoog, opdat de matrozen het konden zien. Zij wenkten hem nader te komen en toen sprongen twee of drie, die goed konden zwemmen, in zee, verklaarden zijn kano verbeurd en
sleurden den bevenden man als gevangene mee naar 't schip. Columbus, die op de hooge kampanje stond bij den achtersteven van het schip, zag die daad. Hij gaf bevel den gevangene bij hem te brengen. De arme Indiaan kwam bevend als een espeblad aan, en hield het pak katoen vooruit als een geschenk voor den man, die hem gevangen genomen had, ten einde daardoor zijn genade te verwerven. De admiraal ontving hem met de grootste vriendelijkheid, zette hem een mooi gekleurden hoed op, deed hem om elken pols een armband van schitterende koralen aan, hing een of twee belletjes aan zijn ooren en beval toen, dat men hem weer
naar zijn kano terug moest brengen en het katoen ook. Deze geschenken waren voor den armen Indiaan, wat een groote erfenis voor iemand in de beschaafde wereld zou zijn geweest. Vroolijk roeide hij naar het strand, en Columbus keek met veel genoegen naar de groepen, die om hem
heen gingen staan, om zijn schatten te bekijken en naar het verhaal te luisteren van de vriendelijke behandeling, die hij had ondervonden. Toen Columbus Santa Maria verliet, zag hij op een afstand van verscheidene mijlen in het westen een ander groot eiland en zette den koers daarheen. Halverwege achterhaalde hij een Indiaan, die geheel alleen in een heel oude kano zat, en stellig naar het eiland
roeien wilde, om er de tijding van de komst der Spanjaarden over te brengen. Hij had een snoer koralen om den hals, dat hij te San Salvador gekregen had. Columbus bewonderde den moed van den man, die zulk een reis met zulk een ellendige kano durfde wagen. De Indiaan werd met zijn kano aan boord gehaald, en men behandelde den gast vriendelijk, en onthaalde hem op wijn, brood en honig. Een zeer zachte wind gleed
over de spiegelgladde zee, en zij konden eerst ten anker komen, toen de avondschemering reeds gevallen was. De Indische kano liet men nu over boord zakken, en de gelukkige
man werd met geschenken beladen aan land gezonden, ten einde de inboorlingen gunstig te stemmen, en te maken, dat hun de Spanjaarden welkom waren. Het nieuws verspreidde zich zoo snel over het eiland,
dat er 's morgens reeds bij zonsopgang een groote toevloed van inboorlingen op het strand was te zien, terwijl het op de zee van kano's wemelde. Zij verdrongen elkander, om bij de schepen te komen
en vruchten, wortels en versch water te brengen. Columbus gaf allen kleine geschenken en onthaalde hen op suiker en honig.
Spoedig gingen enkelen van de drie schepen aan land. Hier waren ze op nieuw getuigen van zichtbaar geluk en blijkbaren vrede, zooals ze die meer hadden gezien. Zij brachten eenige uren op het eiland door, waren ingenomen met den eenvoud en de openbaringen van genegenheid der inboorlingen.
Hun tenten waren van riet en palmbladen gemaakt, en zij zagen er van buiten heel aardig uit, terwijl van binnen alles netjes en ordelijk was. Het volgende uittreksel uit het dagboek van Columbus maakt ons bekend met den indruk, dien hij van de inboorlingen kreeg.
"Daar zij ons veel vriendschap bewezen, en ik bovendien wist, dat het menschen waren, die eerder door liefde dan door geweld tot het christendom te bekeeren zouden zijn, gaf ik sommigen veelkleurige
hoeden, anderen halssnoeren van glazen koralen en vele andere dingen van weinig waarde, waarmede zij echter zeer ingenomen waren, en zoo op onze hand kwamen, dat wij er ons over verwonderden. Dezelfde personen kwamen later weer zwemmend naar de schepen, waar wij waren,
en brachten ons papegaaien, katoenen garen, werpspiesen en vele andere dingen, die zij tegen belletjes en koralen verruilden. Kortom, zij gaven goedwillig al wat zij hadden; maar 't kwam mij voor, dat zij anders heel arm waren, en ook liepen zij heelemaal naakt." Ter eere van koning Ferdinand gaf Columbus aan dit eiland den naam van Fernandina, maar later is het Exhuma genoemd. Columbus beproefde er omheen te varen. Naar het noordwesten zeilende, vond hij eene heel
mooie haven, waarin een honderdtal schepen veilig voor anker kon liggen. Hij liep die haven in, en ging met een gezelschap aan land, om water te halen. Terwijl de matrozen de tonnen vulden, wandelde
Columbus een klein eind verder, en ging op een groenen heuvel zitten, om het schoone gezicht te bewonderen, dat hem van alle kanten omgaf. In zijn dagboek betuigt hij: "Nooit heb ik vroeger zulk een prachtig landschap gezien." Het was zoo frisch en groen, als Andalusië er in Mei uitziet. De boomen, de vruchten, het gras en de bloemen waren
heel anders dan in Spanje. De bewoners waren heel vriendelijk. Zij wezen den Spanjaarden de beste waterbronnen aan, hielpen hen de tonnen vullen en ze naar de booten rollen.
Ofschoon Columbus' verbeelding veel voedsel kreeg, viel het hem toch bitter tegen, dat er niet meer goud was. Omdat het duidelijk was, dat hij op dit eiland niets van dit kostbaar metaal kon krijgen,
zeilde hij den 19en naar een ander eiland, dat de inboorlingen Saometa noemden. Hij had uit de teekens der wilden afgeleid, dat daar goudmijnen waren, dat het de residentie van het voornaamste opperhoofd of van den koning van al de omliggende eilanden was, en dat die een met juweelen en goud omzoomd gewaad droeg. Toen zij op het eiland aangekomen waren, vonden zij er noch monarch noch goudmijn. De bewoners waren talrijk, het eiland was verrukkelijk
en het afhankelijke hoofd droeg heel gewone versierselen. Wat Columbus erg verwonderde was, dat ieder eiland telkens mooier scheen dan dat, 't welk men van te voren had bezocht, en werkelijk bestond er een groot
verschil in de natuurtooneelen. De boomen en bloeiende struikgewassen, welke dit eiland bedekten, waren zeldzaam mooi. Op het eiland vond men hoogten, die vrij aanzienlijk waren. De lucht kwam hem in 't bijzonder zeer welriekend voor, en het fijne zand op het strand werd door golven bespoeld, die bijna zoo doorzichtig waren als kristal. Midden op het eiland vond hij verscheidene schoone meren vol helder water. Aan dit
eiland gaf hij den naam van Isabella, ter eere van de koningin, wier aandenken hij met zooveel trouwe toewijding liefhad. Van dit eiland, dat nu Exumeta heet schreef hij: "De groote meren, welke men hier aantreft, en de boschjes, waardoor ze omringd worden, zijn wonderschoon. En evenals op andere eilanden is hier alles groen. De vogels zingen hier zoo, dat men er altijd naar
zou willen luisteren. De vluchten papegaaien zijn hier zoo groot, dat de zon er door verduisterd wordt en de andere vogels, zoo groot als klein, zijn zoo veelsoortig en verschillen zoozeer van de onze,
dat men zich er over verbaast. Bovendien ziet men hier duizenderlei soorten van boomen, die elk hun eigenaardige vruchten hebben, waarvan de smaak heel vreemd is, zoodat het mij erg spijt, dat ik ze niet ken; want ik weet zeker, dat ze veel waard zijn. Ik zal er als proef eenige
mee naar huis nemen, en ook eenige grassoorten." "Toen ik hier kwam, kreeg ik van de boomen en bloemen van het land zulk een aangenamen reuk in den neus, dat er in de wereld niets
lekkerders wezen kan. Ik geloof, dat hier vele grassen en boomen zijn, waarop men in Spanje zeer gesteld wezen zou, om er aftreksels, geneesmiddelen en specerijen van te maken; maar ik ken ze volstrekt niet, en dit spijt mij zeer."
Niet alleen de vogels, die van tak tot tak sprongen, droegen prachtige veeren, maar ook de visschen, waarvan die kristalheldere wateren wemelden, vertoonden al de schoone kleuren van den regenboog. Zij wedijverden met de vogels in kleurenpracht. De dolfijnen vooral, die gemakkelijk te vangen waren, verrukten de beschouwers door de wondervolle kleurveranderingen, die zij te zien
gaven. Het is eenigszins merkwaardig, dat er geen viervoetige dieren gevonden werden, uitgezonderd een paar zeer kleine. Er was er een, die veel op een hond leek, maar in 't geheel niet blafte. Er waren ook eenige konijnen en hagedissen, welke laatste de Spanjaarden met afkeer en vrees beschouwden, alsof het vergiftige kruipende dieren
waren. Naderhand verklaarden zij, dat zij onschadelijk waren en hun vleesch heel lekker smaakte. Maar goud zochten deze ontdekkers. De moeilijk te begrijpen gebarentaal gebruikende, vroeg Columbus ieder opperhoofd dien hij ontmoette, waar men goud kon vinden; maar de inboorlingen bedrogen hem opzettelijk
of--en dit kon ook 't geval wezen--Columbus verstond hun gebaren niet. Steeds wezen zij naar het zuiden en gaven uitdrukkelijk te kennen, dat daar een volkrijk eiland was, dat veel goud bevatte en Cuba heette.
Zij, die aan boord van de schepen waren, kenden op het laatst dien naam ook heel goed, en de gebeurtenissen van latere eeuwen hebben hem nog meer bekend gemaakt. Allen verlangden op het eiland Cuba te komen. Men meende, dat er groote steden op dat eiland moesten zijn, en de haven vol groote schepen lag.
Het was in het laatst van October. In de keerkringen ving de regentijd aan, waarmee een volkomen windstilte samenging. In den nacht van den 24n October zette Columbus de zeilen weer op, om het eiland Cuba op te zoeken. De zeilen hingen echter slap tegen de touwen tot den middag
van den volgenden dag toe. Toen verhief zich een lekker en gunstig windje. Door naar het zuidwesten te varen, kreeg hij vele eilandjes in het gezicht; doch hij vond het niet de moeite waard zich er om
op te houden. Ook vond hij een eilandengroep, die hij Arene noemde, maar nu de Mucaras heeten. Op den morgen van den 28en October kwamen de prachtige bergen van de koningin der Antillen in het gezicht. Nooit kan de schrijver de aandoeningen vergeten, die hij ondervond, toen de schitterende
morgenstralen van een der schoonste morgens in de keerkringsgewesten hem de bergen en valleien, het wondervolle gebladerte en groen, en de blijkbaar grenzenlooze uitgestrektheid van het schoonste eiland
der aarde lieten zien. Het was misschien niet ver van de plek, waarop Columbus stond, dat hij het verrukkelijk gezicht zag. In de gloeiendste taal beschrijft hij de heerlijkheid van de bergen, die tot in de wolken reiken; de weelde en den bloei van de ruime valleien; de trotsche met wouden bedekte voorgebergten, die in de
zee uitloopen en de kapen, die zich naar het noorden zuidwesten zoo ver uitstrekken, dat ze eindelijk aan het oog ontsnappen. Een schoone rivier, aan de noordkust van het eiland, bood hem een goede gelegenheid aan, om met zijn schepen binnen te varen. Hier liet hij dan ook het anker vallen. Het water was zoo doorzichtig, dat men verscheiden
vademen diep de visschen en schelpen kon zien. Fijn, wit zand lag op het bed van de rivier en de oevers waren rijkelijk begroeid. Toen Columbus aan land was gekomen, nam hij zooals gewoonlijk het
eiland in bezit in den naam van de Spaansche vorsten en noemde het Juan, ter eere van Prins Juan, Isabella's zoon. De rivier gaf hij den naam van San Salvador. Zoodra de bewoners de schepen zagen, vluchtten zij angstig voor het schrikverwekkende natuurverschijnsel weg. Op het strand trof men twee verlaten hutten aan, waarin eenig vischtuig
lag, zooals netten, die op een aardige wijze van de vezels van palmboomen waren gevlochten; voorts vischhaken en beenen harpoenen. Een van die hondjes, die nooit blaffen, liep er om heen. De bewoners van
deze hutten waren, volgens de begrippen, die de wilden van welvaart hebben, rijk. De met palm bedekte hutten beschermden hen voor regen en wind. Zilvergras bezorgde hun een zacht en zelfs rijk bed. Kleeren hadden ze niet noodig. Zij behoefden de handen maar uit te steken om
van de zwaar beladen takken de rijkste vruchten te plukken. De rivier schonk hun allerlei visch en zooveel als zij wilden hebben. Maar beschouwen wij deze menschen uit het oogpunt van beschaving, dan waren ze zeer arm. De hut, waarin zij woonden was met al wat er in was nauwelijks het kleinste Spaansche geldstuk waard. Columbus beval,
dat geen enkel voorwerp in of om de hut mocht worden weggenomen. Met het scheepsvolk van een der booten voer hij de kronkelende en kalme rivier op. Uitingen van vreugde kwamen telkens over zijn lippen. "Cuba", schreef hij in zijn dagboek, "is het schoonste eiland, dat
ooit een menschenoog zag. Daar zou men altijd willen wonen." Terwijl men de rivier oproeide werden de gezichten, die zich aan het oog vertoonden, telkens liefelijker. De oevers stonden vol reusachtige
tropische boomen, en de bloeiende struiken, die hier en daar in groote menigte werden aangetroffen, gaven dezen toovertuin der natuur het voorkomen van een paradijs. Verscheiden dorpen lagen aan de oevers der rivier, maar de inwoners vluchtten naar de bergen, zoodra zij de boot zagen. De huizen, schrijft Columbus, waren hier beter dan hij ze tot
dus ver had gezien. Er waren in die dorpen geen regelmatige straten, maar de huizen lagen schilderachtig tusschen de boschjes. Zij waren netjes van palmbladeren gebouwd en van binnen zagen ze er bijzonder zindelijk en ordelijk uit. Toen men weer bij de schepen teruggekomen was, werd de reis langs de kusten naar het westen voortgezet. Columbus was altijd nog maar in de
meening, dat hij bij de Indische stranden was. Toen in de verte de eene kaap zich na de andere uitstrekte, tuurde Columbus voortdurend of hij koepeldaken en torens van de een of andere oostersche stad kon ontdekken. Hij dacht, dat Cuba het wereldberoemde eiland Japan was. Maar toen hij drie dagen achtereen langs de kust gevaren had, en geen einde aan het eiland zag, kwam hij tot het besluit, dat hij reeds het vasteland van Indië bereikt had. Eindelijk kwamen zij aan een zeer belangrijk voorgebergte, dicht met palmboomen begroeid, waaraan Columbus den naam van Palmkaap gaf. Men
denkt, dat deze kaap het begin van het land aan de oostzijde is, waaraan men nu den naam van Laguna de Moron gegeven heeft. Columbus verzocht nu de twee Pinzons in zijn kajuit te komen, om over de verdere reis te spreken. Alle drie waren het eens, dat Cuba geen eiland, maar het vasteland was, dat zich zeer ver naar het Noorden uitstrekte. Dit deed Columbus denken, dat hij, nu bij het vasteland
van Azië zijnde, niet ver van Cathay af kon zijn. Uit de taal van de inboorlingen maakte hij op, dat er, niet veel mijlen ten Noorden, een groote hoofdstad aan een breede rivier lag. Gedurende eenige dagen zeilde hij voort, maar had steeds met tegenwind te kampen, en ziende, dat de kust eindeloos en een storm in aantocht was, keerde hij terug, en ankerde in den mond van een kleine rivier, die hij Rio de los Maries noemde.
Het was nu de 1e November. Op den oever stonden eenige huizen, en lager nog zag men een boschje van cacao- en palmboomen. Toen de zon opkwam, werd er een boot aan land gezonden. De bewoners namen van schrik de vlucht. Des middags deed Columbus op nieuw een poging, om
met de beangstigde lieden, die aan 't strand stonden, een gesprek aan te knoopen. Daar er op de St. Maria drie Indianen van San Salvador waren, zond Columbus dezen met een boot er heen, om de inboorlingen van hunne vreedzame bedoelingen te overtuigen.
Zoodra de Indiaan zoo dicht bij hen kwam, dat ze te beroepen waren, richtte hij vriendschappelijke woorden tot hen. Het scheen, dat zij zijn taal verstonden. Hij sprong in zee, zwom aan land en ging geheel
weerloos in hun midden staan. Zij ontvingen hem vriendelijk, luisterden naar zijn woorden, en hij slaagde zoo goed, dat hun vrees week, en er nog vóór het vallen van den avond zestien kano's vol inboorlingen om de schepen kwamen liggen. Zij brachten katoenen garen mee, dat ze verkoopen wilden; maar Columbus zocht te vergeefs naar goud. Niet
het kleinste gouden sieraad was te zien. Slechts één man droeg een klein gesmeed stukje zilver aan den neus. Columbus meende van de Indianen te hooren, dat de groote stad,
waar hun vorst woonde, op een afstand van vier dagreizen in het binnenland lag. Daarom besloot hij manschappen uit te zenden, die twee afgevaardigden naar het hof moesten vergezellen. Deze twee
mannen heetten Rodrigo de Jerez en Luis de Torres. De laatste was een bekeerde jood, die tamelijk goed Hebreeuwsch, Chaldeeuwsch en Arabisch verstond. Columbus achtte het niet onwaarschijnlijk, dat de Oostersche vorst ten minste een van die talen sprak. Twee Indianen gingen met deze gemachtigden als gidsen mee. Een van deze
kwam van San Salvador; de ander uit het kleine gehucht aan de oevers van Rio de Los Maries. De afgezanten waren ruim van kleinooden voorzien ter bestrijding van de reiskosten en van kostbaarder voorwerpen,
om die den vorst te vereeren. Ook kregen ze een brief mee, waarin de wensch van den koning en de koningin van Spanje was uitgedrukt, om vriendschappelijke betrekkingen met de regeeringen in 't Oosten aan te knoopen. De afgezanten hadden in last al het mogelijke te doen,
om inlichtingen te krijgen betreffende het land en zijne bewoners. Zes dagen mochten zij voor de reis gebruiken.
Terwijl Columbus de terugkomst van het gezantschap afwachtte, was hij druk bezig zijn schepen op te knappen en manschappen uit te zenden, om het omliggende land te gaan verkennen. Zelf nam hij een boot, en roeide zes mijlen ver de rivier op. Hij ging aan wal en klom op een steilen oeverkant, waardoor hij flink in het rond kon zien. Er was, hoe
ver hij ook keek, evenwel niets te zien dan een groote menigte boomen, die welig in het wild groeiden en een dicht loover vormden. Te vergeefs zocht hij naar die planten, welke in drogisterijen en apotheken in Europa zoo hoog geschat worden. Soms kwam hij in aanraking met inboorlingen, liet hun dan paarlen en goud zien en vroeg, waar hij zulke dingen vinden kon; maar de antwoorden, die hij in woorden of door gebaren kreeg, maakten hem het spoor nog meer bijster. Zij schenen
te kennen te geven, dat er menschen waren, die maar één oog hadden; anderen, wier hoofd op dat van honden geleek, menscheneters waren, de keel hunner slachtoffers afsneden en hun bloed uitzogen. Was de teleurstelling voor Columbus groot, dat hij geen goud kreeg, toch kon hij niet nalaten telkens te zeggen, dat hij de natuur om
hem heen zoo prachtig vond. Men verhaalt, dat hij gedurende dit korte uitstapje op een van de schoonste rivieren van Cuba, de inboorlingen op zekeren dag een kleinen, bolvormigen wortel, ter grootte van een appel, in de asch braden zag, en hem opaten. Hij was melig, maar toch heel lekker en werd door hen batatas genoemd. Deze knol is sedert een onmisbaar voedingsmiddel in de geheele beschaafde wereld geworden. De ontdekking van den aardappel, waaraan Columbus niet dacht, is gebleken
van grooter waarde voor de menschen te zijn dan het vinden van een berg goud zou zijn geweest. De afgezanten kwamen den 6en November terug. Allen gingen nieuwsgierig om hen heen staan, om naar het verhaal hunner lotgevallen te luisteren. Het was echter niet zeer bemoedigend. Nadat zij ongeveer dertig mijlen langs een pad door 't bosch gereisd hadden, kwamen
zij in een gehucht, dat uit nagenoeg vijftig hutten bestond, die niet verschilden van de vroeger gevonden woningen; alleen waren ze misschien iets grooter. De grootte der bevolking hebben ze stellig zeer overschat, want zij zeiden, dat er duizend menschen waren, en
dus zouden er in elke hut twintig hebben moeten wonen. De bewoners ontvingen hen vriendelijk, lieten hen op zonderling gebeeldhouwde houten blokken zitten, en onthaalden hen op vruchten en groenten. De geleerde Jood trachtte in al de hem bekende talen met hen te praten, maar dit ging niet. Toen poogde de Indiaan hen toe te spreken. In
hoever dit gelukte, kan niet uitgemaakt worden, maar toen hij ophield gingen de inboorlingen om de blanken heen staan met teekens van bewondering en bijna van vereering. Zij bekeken hun kleeren, streken met de hand over hun huid en schenen hen in alle opzichten als hoogere wezens te beschouwen. Alle inboorlingen, die ze tot nog toe hadden
gezien, stonden in aanzien en macht gelijk, maar hier namen ze voor het eerst verschil in rang aan. Een onder hen was als het hoofd te herkennen. Maar goud vond men ook hier niet, niet eens kruiden. De afgevaardigden begrepen dus, dat verder onderzoek nutteloos ware, en daarom keerden ze naar de schepen terug.
Volgens hun verhaal hadden al de menschen uit het dorp met hen mee willen gaan, maar voor die eer hadden ze bedankt, en alleen een van de voornaamsten met zijn zijn zoon meegenomen.
Op hun terugreis zagen ze voor de eerste maal, dat de inboorlingen een onkruid gebruikten, dat de vernuftige mensch, al kwam zijn gezond verstand er ook tegen op, sedert tot een algemeen weelde-artikel heeft gemaakt. Velen liepen met iets brandends in de hand; anderen rolden gedroogde kruiden in een blad, staken het eene einde aan, het ander in den mond, zogen zoo den rook op en bliezen hem daarna weer
uit. Zulk een rolletje noemden ze "a tobacco," een naam, die later aan de plant gegeven is waarvan de rolletjes gemaakt worden. Ofschoon de Spanjaarden voorbereid waren op veel vreemds, zoo trof hun toch dit zonderling en walgelijk gebruik. De afgevaardigden gaven een boeiend verhaal van de schoonheid der natuur, en de vriendelijkheid van 't volk. De menschen waren gezellig van aard, en schenen goed met elkander te kunnen omgaan. De dorpen
bestonden uit eenige bij elkander staande huizen, en bij elke woning behoorde een goed bewerkte tuin met Indisch koren, aardappelen en andere groenten er in. Ook waren er uitgestrekte katoenvelden. Van het katoen werd touw gemaakt, en hiervan vervaardigden zij netten en smaakvolle hangmatten.
De weelderige bosschen waren vol vogels, waarvan velen prachtige veeren hadden, en op de meertjes zwommen watervogels van allerlei vorm en kleur. Maar van een stad in 't binnenland, of van kostbare metalen had men niets gezien of gehoord. Columbus was hierdoor zeer teleurgesteld, al reisde hij dan ook door een land, waarvan de schoonheid aan 't fabelachtige grensde.
Het kan niet ontkend worden, dat Columbus zich droombeelden schiep, en dat hij daardoor op zeer zwakke gronden voor waarheid hield, wat hij gaarne voor waarheid _wilde_ houden. Van de Indianen vernam hij, gedurende de afwezigheid van de gezanten, dat er heel ver in 't Oosten een zeer volkrijk eiland lag, waar de bewoners bij fakkellicht op de oevers der rivieren goud vonden, waarvan
zij staven maakten. De zomer in de heete luchtstreek spoedde ten einde, en de winter met zijn vaak kille nachten was in aantocht. Columbus was in zuidelijk Spanje gewoon aan zomers, die haast net zoo zacht waren als die op Cuba. Tot nog toe had hij geen oord gevonden, dat hem
geschikt voorkwam, om er een kolonie te stichten. Het was zijn plan niet alleen een landbouwkolonie te vestigen, maar hij wilde gaarne in een volkrijke en welvarende streek voordeelige handelsbetrekkingen aanknoopen, en zijn schepen met oostersche handelswaren laden, waardoor hij zelf en zijn beschermers rijk konden worden, en waarover zijn landgenooten zich zouden verwonderen. Maar tot dus ver had hij slechts naakte wilden gezien, die in
ellendige en allereenvoudigste hutten woonden, en hij kon, behalve een paar gouden sieraden, niets mee naar Spanje nemen, dan een kleine hoeveelheid ruw katoenen garen. Columbus gaf den naam van Mares aan de rivier, waar hij voor anker lag. Hier zocht hij verscheiden inboorlingen uit, die zich door lichaamsschoon en geestesgaven gunstig onderscheidden, om ze meê naar Spanje te nemen en ze de Spaansche taal te leeren, zoodat zij hem op latere reizen tot tolken konden dienen. Wij weten niet, of dit hun eigen wil was, dan of zij opgelicht zijn. Hij zocht mooie meisjes uit en jonge mannen, die een flinke gestalte hadden. De beminlijkheid
en leerzaamheid van de inboorlingen deden Columbus gelooven, dat zij gemakkelijk tot het christelijk geloof te brengen zouden wezen. Peter Martyr verhaalt van de zeden en gewoonten van de menschen op Cuba het volgende.
"Evenals het zonlicht en het water ieder toebehooren, zoo is ook het land het gemeenschappelijk bezit van allen. De woorden 'mijn en dijn', die zaden van alle ellende, kennen zij niet. Zij zijn met zoo weinig tevreden, dat zij in zulk een groot land eerder overvloed dan gebrek hebben, en dus in de gouden eeuw schijnen te leven. Hun tuinen liggen open en bloot, zijn niet door heggen verdeeld en worden noch door
muren beschermd noch door dijken ingesloten. Zij hebben geen wetten, wetboeken of rechters, maar deelen alles eerlijk met elkander." Het ligt voor de hand, dat men het met die beschrijving niet zoo nauw nemen moet. De bewoners der nieuwe wereld toch trof men aan met moordtuigen en oorlogswapenen in de hand. Velen hadden op het
slagveld wonden gekregen, en zij vertelden zelf van stroopersbenden, die de eilanden met roof en moord vervulden.
VIJFDE HOOFDSTUK. BUITENGEWONE LOTGEVALLEN. Voor zoo ver het mogelijk was de godsdienstige begrippen van de inboorlingen te kennen, bleek het, dat zij een onbestemd gevoel hadden van de onsterfelijkheid der ziel. Zij geloofden, dat de geest van den mensch na den dood naar de dichte wouden en rotsachtige bergen verhuisde, en dat hij op een bovennatuurlijke wijze werd gevoed,
wanneer hij daar in kelders ingemetseld was. De echo's, die zij dikwijls bij de bergen hoorden, hielden zij voor antwoorden van de afgestorvenen. Den 12en November 1492 zette Columbus koers naar het Zuidoosten, en ging ook nu langs de kust van het eiland.
Men vermoedt, dat Columbus het 2/3 deel van de lengte van Cuba had afgelegd. Had hij nog een paar dagen doorgevaren, dan zou hij de westelijke kust bereikt, en niet in den waan verkeerd hebben, dat hij bij het vasteland was.
Twee of drie dagen lang zeilde hij langs de kust voort, zonder zich ergens op te houden, om het binnenland te onderzoeken. Een storm noodzaakte hem een haven binnen te loopen, die hij Puerto del
Principe noemde. Volgens zijn gewoonte richtte hij hier een kruis op, en nam in den naam van zijn vorsten plechtig bezit van het land. In de nabijheid lagen vele kleine en zeer mooie eilanden, die hij met de booten onderzocht, en die later bekend werden onder den dichterlijken
naam van El Jardim del Roy of den Koningstuin. Aan de golf of baai, die deze eilanden verfraaide, gaf hij den naam van Nuestra Senora. Dichte wouden bedekten deze schilderachtige eilanden, die uit den oceaan het hoofd opstaken. De in alle richtingen loopende en kronkelende doorvaarten, benevens de eenzame inhammen van deze schoone streek
werden in latere jaren door zeeroovers onveilig gemaakt, die wreedheden pleegden, waarvan de opsomming zelfs duivelen zou doen blozen. Den 19n November heesch Columbus alweer de zeilen, omdat hij plan had naar een eiland te gaan, dat omstreeks 60 mijlen oostwaarts lag, en door de inboorlingen Babique werd genoemd. Met zijn niet sterk
schip kampte hij een dag en een nacht met tegenwind en een onstuimige zee. Maar ernstiger tegenspoed stond hem te wachten. Martin Alonzo Pinzon, bevelhebber van De Pinta, was rijk en een ervaren zeeman. Hij had veel geld in de onderneming gestoken, en volstrekt geen zin Columbus in alles als zijn meerdere te
erkennen. De admiraal was een man, die zich koninklijk gedroeg en dacht. Waarschijnlijk waren beider inzichten in den laatsten tijd met elkander in tegenspraak. Columbus wendde het roer, om naar de haven terug te keeren, en beduidde de andere schepen evenzoo te doen. Pinzon
sloeg er geen acht op. Hij ging van de beide andere schepen weg, en besloot een kruisvaart op eigen hand te doen. Toen de morgen van den 21en daagde, was De Pinta nergens te zien.
De ergernis van Columbus was groot. Hij vreesde dat Pinzon plan had, om zoo spoedig mogelijk naar Spanje terug te keeren, de groote ontdekking bekend te maken, en zelf de eer te ontvangen, die het bericht van zulk een belangrijke gebeurtenis hem stellig geven zou. Den vluchteling te vervolgen was nutteloos. De driftige en teleurgestelde admiraal keerde naar Cuba terug. Den 24en November liep hij een prachtige
haven binnen, die hij St. Catarina noemde. Hij was dicht bij den mond van een schoone rivier, wier oevers omzoomd waren met groene weiden, waarvan de bevalligheid alle beschrijving te boven ging, en die als bezaaid waren met boschjes van pijnboomen en reusachtige eiken. Hij bleef langs de kusten van Cuba kruisen en had, oostwaarts zeilende,
de schoonste vergezichten, die telkens kreten van verrukking deden slaken. In zijn reisbeschrijving komen ook uitdrukkingen voor, die van verrukking getuigen over den helderen hemel, den gezonden dampkring midden in den winter, de kristalheldere rivieren, de havens, die zoowel het landschap verfraaiden, als een groote veiligheid aanboden;
de vruchten, de bloemen, het gezang der vogels, de vriendelijkheid van de mannen en de beminlijkheid van de vrouwen. In een van de havens, die hij Puerto Santo noemde, schreef hij in een brief aan de koningin:
"De schoonheid van deze rivier en het kristalheldere water, waardoor men het zand op den bodem kan zien; de vele palmboomen van allerlei vorm, zoo groot en mooi als ik ze ooit zag en de ontelbare andere
groote en groene boomen; de vogels met hun rijke kleuren en het groen der velden, maken dit land, doorluchtige vorsten, zoo verwonderlijk schoon, dat het alle andere landen in bekoorlijkheid overtreft, gelijk de dag den nacht in luister te boven gaat. Daarom zeg ik dikwijls tot mijn volk, dat, hoe ik ook poog Uw Majesteiten een volledig verhaal er van te geven, mijn mond de geheele waarheid niet zeggen en mijn pen
haar niet beschrijven kan. Ik ben zoo overweldigd door het gezicht van zooveel schoons, dat ik niet weet, hoe ik alles verhalen zal." Sommige van die boomen waren zoo ontzettend dik, dat de inboorlingen van één boom een kano konden maken, groot genoeg voor honderd man. Langzaam zeilde Columbus voort, en kwam den 5en December aan
de oostelijkste punt van het eiland. Daar hij dit punt voor de oostelijkste kaap van het vasteland van Azië hield, en dus voor het eerste punt, dat men bereikte, als men uit Europa kwam, noemde hij deze kaap Alpha en Omega, het begin en het einde.
Columbus wist volstrekt niet, welken koers hij nu nemen moest. De Indianen gaven wonderhoog op van Barbique, en door hun aanwijzingen geleid, zeilde hij van het einde van Cuba naar het Oosten, toen hij in
een zuidoostelijke richting hooge bergen ontdekte, die zich boven den horizon verhieven. Maar toen de Indianen, die aan boord waren, zagen, dat hij daarheen wilde gaan, meenden zij, dat het de Antillen waren, en dit vervulde hen met schrik. Zij smeekten hem er niet heen te gaan
en verzekerden, dat de menschen daar buitengewoon wreed en woest waren, zoodat zij de gevangenen doodden en opaten. De dampkring is tusschen de keerkringen zoo zuiver, dat men ver verwijderde voorwerpen met de grootste nauwkeurigheid kan zien. Columbus kwam bij het groote en schoone eiland Haïti. Dit eiland is een van de liefelijkste plekjes op aarde, doch de mensch heeft er zulk een treurig tooneel van misdaad en ellende van gemaakt, als ergens op de oppervlakte van den aardbol gevonden wordt. De bergen verhieven
hun kruinen tot in de wolken, en hun kanten waren met weelderige wouden begroeid. Van den voet der bergen af tot aan de zee toe, zag men groene vlakten en dalen met boschjes van vruchtboomen en bloembedden. Door den rook, die uit de bosschen opsteeg, werd het Columbus duidelijk, dat dit land zeer bevolkt moest wezen. Later werd verzekerd, dat het
eiland omstreeks 400 mijlen lang en 150 breed was. Het besloeg een oppervlakte van nagenoeg 30000 vierk. mijlen. Dit vorstelijk eiland werd onlangs bijna geheel aan de Vereenigde Staten aangeboden als
een vrije gift, maar het Congres bedankte voor dit aanbod. Op den avond van den 6en December kwam Columbus, dicht bij het westelijk deel van dit eiland, in een haven, die hij St. Nikolaas noemde, en zij draagt dien naam nog. De landstreek was een Eden gelijk. Majestueuse bosschen en volgeladen boomen zag men er. Aan
den eenen kant lag er een weelderige vlakte, die zich naar het binnenland uitstrekte, waardoor een rivier met het helderste water kronkelde. Aan den wal bevonden zich vele kano's, en verderop zag men schilderachtige dorpen liggen, verscholen in de schaduw van de boomen en door liefelijke weiden omgeven. Maar de inboorlingen hadden allen de vlucht genomen, alsof zij zich bewust waren, dat de grootste vijand, dien zij op aarde hadden, hun medemensch was. Zonder met de menschen in aanraking te zijn gekomen, gingen zij de
haven weer uit, en voeren langzaam langs de kust naar 't Oosten, met opgetogenheid naar de bergen en de effen vlakten ziende. Een diepe en breede vallei, die door hen werd opgemerkt, droeg duidelijk de kenmerken van beschaving. Zij liepen een fraaie haven binnen, die Columbus Port Concepcion noemde, doch nu de baai van Moustique heet. Hier kronkelde ook een schoone rivier door een streek, die een tuin kon heeten. De rivier en de baai wemelden van allerlei soort van visch. Velen werden met netten gevangen. Enkelen waren zooals
die in Spanje. Er was een vogel, wiens gekweel zeer met dat van den nachtegaal overeenkwam, en hen herinnerde aan de bosschen van Andalusië. Daarom gaf Columbus aan dit eiland den naam van Hispaniola
of Klein-Spanje. De Franschen noemden het naderhand St. Domingo. Columbus schrijft in zijn brief aan het hof: "Hispaniola is grooter dan heel Spanje, van Catalonia tot Fontarabia. Een van de vier zijden, waar ik landde, en die recht van het Westen naar het Oosten loopt, is 540 mijlen lang. De groote stad, die ik in bezit nam, heeft een zeer
gunstige ligging. Ik gaf bevel er een fort te bouwen, waarin ik zooveel manschappen legde, als ik noodig achtte, en wist de gunst van den koning voor hen te verwerven, wat mij zoo goed gelukte, dat het haast
niet te gelooven is. De menschen zijn er zoo aardig en vriendelijk, dat zelfs de koning er een eer in stelde mij zijn broeder te noemen."
Zes wel gewapende mannen door Indiaansche tolken begeleid werden naar het binnenland gezonden, ten einde, zoo mogelijk, met de inboorlingen in aanraking te komen. Zij vonden wel huizen, dorpen en tuinen,
maar er was niet één Indiaan te zien. Alle bewoners waren naar de ontoegankelijke klippen op de bergen gevlucht. Den 12en December richtte Columbus een kruis op en nam--voor zoo ver de gelegenheid dit toeliet--op een plechtige wijze bezit van het eiland. Tijdens het verblijf in de haven ontmoetten eenige zeelieden, die
in den omtrek uitstapjes maakten, eenige eilandbewoners, die als herten vloden. De matrozen zetten hen na. Een schoon, jong meisje van omstreeks achttien jaren ziende, bevallig als een hinde, maar dat de
sterker gebouwde vluchtelingen niet bij kon houden, liepen ze allen haar na, en 't gelukte hun haar te krijgen. Met groote ingenomenheid voerden ze deze liefelijke buit naar de schepen. Columbus ontving het meisje met vaderlijke minzaamheid. Hij overlaadde haar met geschenken, en tooide haar met de kleine tingelende belletjes, die voor de inboorlingen een onbeschrijfelijke bekoring hadden. Aan boord van het admiraalschip waren nog meer van die inlandsche vrouwen. Deze stelden de jonge gevangene al heel gauw gerust, en in een uur tijd gevoelde zij zich geheel op haar gemak, en was met de
ontvangst zoo ingenomen, dat zij geen lust meer had aan land te gaan. Het eenige sieraad, dat deze schoone Indiaansche vrouw bij het gevangen nemen droeg, was een ring van zuiver goud, die aan den neus
hing. Columbus was zeer blij bij het zien van dit kostbaar metaal, want het was een sterk bewijs, dat er goud op dit eiland was. De admiraal voorzag het meisje van kleeren, zooals die in beschaafde landen gedragen werden, en zond haar aan land met vriendelijke boodschappen aan haar landgenooten. Onderscheidene matrozen en drie Indiaansche tolken gingen met haar mee. Het dorp, waar zij thuis
hoorde, lag ver landwaarts in, en daarom keerden de zeelieden, die het niet veilig achtten onder wilden te reizen, die den naam hadden van zeer wreedaardig en vijandig te zijn, naar de schepen terug. Het gelukkige meisje mocht alleen naar haar bloedverwanten gaan. De admiraal vertrouwde, dat de berichten van haar bij de inboorlingen
niet dan een welwillend gevoel zouden opwekken, en zond daarom den volgenden morgen negen goed gewapende mannen uit, met een Cubaanschen tolk er bij, om het spoor door de weelderige wildernis te volgen naar
het dorp, waar het meisje woonde. Op een afstand van twaalf mijlen troffen zij een aantal vrij groote hutten aan, schilderachtig aan de oevers van een schoone rivier gelegen. De afgezondenen telden omstreeks duizend woningen, maar zagen niet één dorpeling. Klaarblijkelijk zag
men in dat meisje een middel, dat listige en booze lieden gebruikten, om de inboorlingen te lokken en in hun macht te krijgen. De Cubaansche tolk zette de vluchtelingen na. Toen zij hem alleen zagen aankomen, gingen zij naar hem toe. Het scheen, dat op alle eilanden dezelfde taal gesproken werd. De Cubaan deed den vreemdelingen zulke mededeelingen,
dat eenige van de moedigsten onder hen, ten getale van ongeveer 2000, het waagden langzaam terug te gaan. Met vrees en beving liepen zij evenwel voort. Las Casas zegt, dat hun gestalte zeer bevallig was, en dat zij een schooner gelaat en fijnere trekken hadden, dan een van de inboorlingen, die zij tot dus ver hadden gezien.
Langzamerheid kwam er vertrouwen; maar nog altijd, zoo wordt verhaald, zagen de inboorlingen in die vreemdelingen hemelsche wezens, die bovennatuurlijke kracht bezaten. In hun oog waren zij met bliksem en donder gewapend. Daarom beefden al die twee duizend menschen, toen zij bij die negen hemelsche bezoekers stonden. Menigmaal maakten ze zeer diepe buigingenen zetten de handen op het hoofd, als een teeken van eerbied en onderwerping.
Terwijl men deze vriendschappelijke samenkomst hield, verscheen er een andere troep Indianen. Zij brachten de schoone gevangene, die zij op de schouders droegen, weer, met Europeesche kleeren aan en getooid met de blinkende kleinooden, die zij ontvangen had, en die in hun oogen nog schitterender waren dan de kostelijkste paarlen en edelgesteenten,
waarmede ooit het voorhoofd van een hertogin is versierd geweest. De Indianen geleidden de vreemdelingen in hun huizen, en onthaalden hen op de uitgezochtste spijzen. Met de meeste gulheid boden zij hun gasten alles ten geschenke aan, wat zij bezaten; tamme papegaaien, vruchten, bloemen en fraai geweven matten en hangmatten. Verrukt over de schoonheid van het land, dat zij doorgetrokken waren,
en over de gastvrijheid der inwoners, keerden de Spanjaarden naar hun schepen terug. Maar goud, helaas! was er niet. Het is duidelijk, dat Columbus en zijn volgelingen op dien tijd in een gemoedstoestand verkeerden, die hun de andere zijde van de schilderij niet deed
zien. Men kan werkelijk een schoonen zomermorgen schilderen en vergeten, dat de koude en donkere Novemberdagen volgen, waarop stormen loeien, die hemel en aarde schijnen te zullen doen vergaan. In een aan Louis de St. Angel gerichten brief, schrijft Columbus:
"Nadat zij ons vertrouwden en de vrees geweken was, waren zij zoo vrijgevig met wat zij hadden, dat zij, die het niet gezien hebben, het niet kunnen gelooven. Nooit weigerden zij iets, wat men hun vroeg, maar gaven het met blijdschap; en zij bewezen zooveel vriendschap, dat
het was, als gaven ze ons hun hart. En of het voorwerp veel of weinig waard was, zij waren tevreden met alles, wat zij terugkregen. Het schijnt, dat de mannen in deze streken slechts één vrouw hebben, maar hun opperhoofd of koning geven zij er twintig. De vrouwen werken, dunkt mij, meer dan de mannen, en ik heb geen gelegenheid gehad te vernemen, of zij eigendommen bezitten; maar ik denk, dat zij alle
goederen gemeen hebben." Veel werk behoefden zij stellig niet te doen. Kleeren maken en wasschen; vloerkleeden uitkloppen en schuieren; borden en kopjes wasschen; vuur aanmaken, tenzij om wat te koken, dat alles was niet noodig. Aan elken tak hingen vruchten, en voedsel was er derhalve in overvloed. Toen Columbus zijn onderzoekingen voortzette, ontdekte hij het eiland Tortugas, dat in later jaren den niet te benijden roem kreeg van het
hoofdkwartier van vrijbuiters te zijn, die zoo lang de zee onveilig hebben gemaakt. Hij ging er aan land en deed er korte reizen. Hier vluchtten de inboorlingen alweer weg, toen zij een mensch zagen, zooals zij voor vraatzuchtige roofdieren gedaan zouden hebben. 's Nachts kon men op de hoogte hun groote noodvuren zien, om de veraf wonenden de nadering van het gevaar aan te kondigen. Aan een bekoorlijke vlakte, die zich aan 't oog van Columbus voordeed, gaf
hij den naam van Paradijs-vallei. Den 16en December verliet Columbus Tortugas te middernacht, en keerde naar Hispaniola terug. Toen hij reeds ver in zee was, ontmoette hij een heel oude kano, met slechts één Indiaan er in. De wind was hoog en de zee onstuimig. Het scheen onmogelijk, dat de boot het houden kon, en daarom nam Columbus den
man met de boot bij zich aan boord. Op Hispaniola gekomen, ankerde hij in de Port de Paix. Toen liet hij den man vertrekken, na hem onthaald en met geschenken overladen te hebben. Zooals gewoonlijk kweekte vriendelijkheid vriendelijkheid. Het verhaal,
dat hij den Indianen gaf, deed hun vrees wijken, en weldra ontstond er een vriendelijk verkeer. Een van de voornaamste opperhoofden bracht met zijn gevolg een bezoek aan het schip. Hij was een hoffelijk man, en gedroeg zich waardig. Sommigen van zijn gevolg droegen kleine gouden sieraden. Zij schenen aan dit metaal geen bijzondere waarde te hechten, en verruilden het bereidwillig voor nesterijen.
Hoe meer Columbus het land onderzocht, hoe meer de schoonheid er van hem bekoorde. Zijn schoone en weelderige valleien werden voldoende besproeid, en vele, zelfs de grootste hoogten, konden tot aan de toppen toe bebouwd worden. Op zekeren dag kreeg hij een bezoek van een jong opperhoofd uit het binnenland. Het schouwspel was
werkelijk indrukwekkend. In een prachtig versierden draagstoel of palankijn gezeten, dien vier sterke mannen op de schouders droegen, kwam hij nader. Het gevolg bestond uit een stoet van twee honderd inboorlingen. De jonge man, die volstrekt niet verlegen en zeer bekend was met de hofgebruiken, trad de tent binnen, waar de admiraal het middagmaal gebruikte, en nam naast hem plaats. Twee eerwaardige mannen
vergezelden hem, en gingen aan zijn voeten zitten. Deze twee bedienden schenen hem met godsdienstigen eerbied aan te zien. Op elke beweging gaven zij acht. Elk woord, dat over zijn lippen kwam, vingen zij op, en trachtten de beteekenis er van aan den admiraal mede te deelen. De prins at niet veel, maar keek zorgvuldig toe, of zijn bedienden wel genoeg kregen. Na het maal gaf hij Columbus twee goudstukken en een
mooi, net bewerkt degengevest ten geschenke. Wederkeerig kreeg hij een stuk laken, eenige mooie koralen en een paar edelgesteenten. Ook verblindde Columbus hem door gouden munten te laten zien, waarop de beeltenissen van Ferdinand en Isabella stonden; door zijden met goud geborduurde vaandels en de banier van het kruis. Hij deed ernstige pogingen, om eenig denkbeeld te geven van de beteekenis van Jezus'
kruisdood. Bij het afscheid werden er van de schepen kanonschoten gelost ter eere van den cacique of van het opperhoofd van wilde Indiaansche volksstammen, en deze ging op dezelfde wijze heen, als hij gekomen was. Ofschoon de inboorlingen gemakkelijk afstand deden van wat zij aan goud bezaten, kreeg men met dat al niet veel. Op nieuw lichtte Columbus het anker, zeilde den 19en Dec. langs de kust en liep na 36 uren een fraaie haven in, die hij St. Thomas noemde, maar nu den naam
van baai van Acal draagt. De streek was dicht bevolkt. De bewoners hadden misschien van de komst der vreemdelingen en hun welwillendheid gehoord. Vrees gaven zij niet te kennen, maar kwamen in grooten getale naar de twee schepen toe, sommigen in kano's, anderen zwemmend. Zij brachten heerlijke en geurige vruchten mee, die zij met de grootste
edelmoedigheid weggaven, evenals hun gouden sieraden, want van handel, waaruit het leven in beschaafde landen voor een groot deel bestaat, schenen zij geen begrip te hebben. Columbus wilde van die verwonderlijke gulheid geen misbruik maken, maar beval, dat men telkens iets tot vergoeding terug moest geven. In deze haven waren ze den 20en ten anker gekomen. Den 22en zagen ze
reeds vroeg in den morgen een keizerlijke boot, die snel over de kalme zee door riemen werd voortbewogen. Zij was zeer ruim en bevatte den afgezant van een heel voornaam opperhoofd met zijn groot gevolg. Het
geheel leverde een schoon gezicht op. De naam van dat opperhoofd was Guacanagari. Hij was de erkende vorst van dit gedeelte van het eiland. Een van de hoogst geplaatsten aan zijn hof was bij deze zending, en had voor Columbus een rijk geschenk meegebracht, bestaande uit een kunstig bewerkten gordel, met paarlen en ivoor afgezet, en uit een net gebeeldhouwd hoofd met oogen, neus en tong van zuiver goud. De afgezant had in last namens den prins
den admiraal uit te noodigen zijn residentie te komen bezoeken, en de schepen mee te nemen. Tegenwinden maakten het onmogelijk dadelijk aan de uitnoodiging gevolg te geven. Daarop zond Columbus eenige zeelieden met een
van zijn officieren, in een boot heen, om zijn voorgenomen komst te berichten. De koning woonde in een mooie stad, aan een rivier gelegen, die door een buitengewoon vruchtbare vallei liep. Het was de grootste en best gebouwde stad, die hij nog gezien had. De huizen, die een groot vierkant plein insloten, waren voor deze gelegenheid opgeknapt en versierd. Van alle kanten stroomde het volk naar het koninklijk verblijf. De groote gastvrijheid, die de officier en zijn manschappen ondervonden, is in beschaafde landen onbekend. Allen werden als
gasten met den meesten eerbied ontvangen, en letterlijk alles, wat de inboorlingen bezaten, werd hun aangeboden, zonder dat zij er iets voor behoefden te betalen. De inboorlingen namen alles met dankbaarheid aan, wat hun gegeven werd, en bewaarden het als iets heiligs. De Spanjaarden noemden de rivier Punta Santa, doch zij heet nu Groote rivier.
In den avond van dezen belangrijken dag keerde de boot naar de schepen terug. Den 24en was 's morgens de wind gunstig, en daarom ging men reeds vóór zonsopgang op reis. Tegen den avond ging de wind geheel liggen, en daarom kreeg Columbus, die een van de waakzaamste en zorgvuldigste zeelieden was, en menigmaal den heelen nacht op het dek bleef, gelegenheid om te gaan slapen. De man, die aan het roer stond,
volgde zijn voorbeeld, was onvoorzichtig genoeg, om het roer aan een jongen toe te vertrouwen en viel in slaap. De andere matrozen sliepen ook. Een sterke stroom, dien men niet opgemerkt had, dreef het schip op een zandbank. Waarschijnlijk sliep de jongen ook, want ofschoon de branding met zooveel geweld tegen de bank sloeg, dat het geraas op
grooten afstand kon worden gehoord, liet hij niets van zich hooren, vóór de kiel over het zand schuurde. Columbus, die, zooals men zegt, altijd met één oog open sliep, was 't allereerst op het dek. Er volgde
een tooneel van groote verwarring. Het verlies van een schip zou in die verre zeeën een onherstelbare ramp zijn. De zeelieden verloren alle zelfbeheersching, en elke poging, om het schip te redden, bleek vruchteloos. Als de zee onstuimig was geweest, zouden waarschijnlijk allen vergaan zijn. De naden van het schip gingen door de branding los, het schip was spoedig vol water en Columbus was genoodzaakt met
zijn scheepsvolk aan boord van de Nina te gaan, het kleinste van de drie schepen. Eenige manschappen werden aan land gezonden, om het vriendelijk
opperhoofd Guacanagari de ramp mede te deelen. Het dorp waar hij woonde, lag omstreeks een mijl van de plaats af, waar men schipbreuk geleden had. Deze man had zooveel medelijden, dat hij over hun ongeluk
tranen stortte. Hij zond al zijn volk en elke kano, klein en groot, die men krijgen kon, om het schip te helpen lossen. De cacique (zie bl. 54) en zijn broeder werkten vlijtig mee, zoowel op zee als aan land. Hun hulp was zoo uitstekend, dat bijna alles, wat op het schip was, gered werd; en noch het hoofd noch zijn volk eischte iets tot belooning voor al die moeite. Integendeel, het opperhoofd noodigde allen uit, om in zijn woonplaats voeding en dak te komen vinden. Vele kano's kwamen heel ver weg met een groote menigte inboorlingen en
ondergeschikte hoofden. Een treffend tooneel van broederlijke liefde deed zich voor. Ofschoon de inboorlingen aan het strand met zaken van onschatbare waarde bepakt en beladen werden, ging er niets verloren en werd ook niets ontvreemd. Het gelaat en de gebaren van het volk drukten alleen spijt over de ramp uit, die den vreemdelingen overkomen
was. Columbus schreef in zijn dagboek aan Ferdinand en Isabella: "Ik verklaar Uw Majesteiten, dat er in de geheele wereld geen beter land en geen beminlijker, handelbaarder en vreedzamer volk is als
dit. Zij beminnen hun naasten als zich zelf. De omgang, dien zij met elkander hebben, is lief en vriendelijk, en al is het waar, dat het wilden zijn, hun gewoonten zijn prijzenswaard en welvoegelijk." Columbus bevond zich nu met al zijn overgebleven manschappen op het eenig schip, dat hij nog had, de Nina. Guacanagari had drie woningen gegeven tot berging van de geredde goederen. De begeerte opmerkende, waarmee de vreemdelingen naar gouden sieraden zochten, deed hij al
wat hij kon, om hun er zooveel van te geven als mogelijk was. De inboorlingen hielden bijzonder veel van dansen. Hun kinderlijke vreugde was bijna niet uit te drukken, wanneer zij, omhangen met de blinkende en tingelende belletjes, naar de tonen der muziek luisterden, die voor hun bewegingen paste. In ruil voor deze belletjes werd een
groote hoeveelheid goud gebracht, en gaarne gaf men al het goud, dat men bezat, in ruil voor een belletje. De admiraal werd uitgenoodigd om bij Guacanagari het middagmaal te gebruiken. Hij ontving een diepen indruk van de ongedwongen en beschaafde houding, die het opperhoofd bij deze gelegenheid vertoonde. De tafel was overladen met al den rijkdom, dien het
eiland opleveren kon. De koning at langzaam en matig, evenals iemand, die met de gebruiken eener beschaafde maatschappij vertrouwd is. De knechts bedienden den vorst en zijn gast met groote beleefdheid. De
regeering was erfelijk op het eiland, en waardigheid en aanzienlijke geboorte schenen een diepen indruk op het volk te maken. Na den maaltijd geleidde de vorst Columbus naar de lieve boschjes, die zijn
inderdaad mooi huis omringden. Ongeveer duizend inboorlingen volgden hen eerbiedig en met alle teekenen van hartelijke belangstelling. Het scheen een Eden. Ofschoon allen moedernaakt waren, zag men toch niets dat onwelvoegelijk was. Onder leiding van het opperhoofd werden er verscheiden heel aardige spelen uitgevoerd tot vermaak van den gast. Columbus trachtte deze beleefdheden door een wapenschouwing te vergelden. Aan boord bevond zich een Castiliaan, een oud soldaat, die Willem Tell evenaarde in de juistheid, waarmee hij een pijl afschoot. Deze wilden waren vreedzame lieden. Zij leefden van
vruchten. De jacht- en oorlogskunst hadden zij nooit beoefend. De Castiliaan bracht zijn Moorschen boog, pijlkoker en pijlen mee. Het opperhoofd was verbaasd, toen hij de kracht en de juistheid zag,
waarmee dit puntige en doodelijke wapen kon geworpen worden. Columbus deelde het opperhoofd mee, dat hij nog veel krachtiger wapenen had. Hij liet een kanon afschieten, waarvan de kogel in een op
eenigen afstand staanden boom kwam. Toen zij het licht zagen en den slag hoorden; voorts den weg volgden, dien de onzichtbare kogel door het bosch had afgelegd, en hoe hij de boomen had gescheurd en doen kraken, waren zij verslagen en knielden neer. Toen zij eenigszins van
den schrik waren bekomen, stelde Columbus de geheele macht, waarover hij beschikken kon, in orde voor een wapenschouwing. Hij plaatste zijn manschappen in gelid, en hun blinkende wapenen, hun gewette en flikkerende zwaarden schitterden in de stralen der ondergaande zon. Zij marcheerden op de maat van trommels en trompetten heen en
weer, en voerden even fraaie als kunstige bewegingen uit. Onder luid geschreeuw vlogen zij ten aanval vooruit, en kwamen in geregelde orde terug. De inboorlingen begrepen heel goed, dat dit oefeningen en bewegingen voor een ernstigen oorlog waren. Het was hun duidelijk, dat de Spanjaarden bovennatuurlijke krachten bezaten om menschen te dooden. Zij begonnen hun geduchte gasten met schrik en vrees aan te zien. Columbus, die door de schipbreuk ter neer geslagen was, werd langzamerhand weer opgeruimd. Hij genoot met de zijnen in ruime mate
de vreugde, die een heerlijk klimaat en lekkere vruchten geven. Elken dag werd zijn voorraad goud grooter. De vriendelijkheid, waarmee de Spanjaarden door de wilden behandeld werden, kon moeilijk grooter zijn, en, om de kroon op alles te zetten, telkens werd hij meer en meer
overtuigd, dat er in de binnenlanden onuitputtelijke goudmijnen lagen. Het gemakkelijke en weelderige leven, waaraan zij gewend waren geraakt, beviel den Spaanschen zeelieden heel goed. Van alle zorgen en moeiten der beschaving waren zij bevrijd. Smakelijke en geurige vruchten hingen
bijna aan elken tak. De rivieren en de kust wemelden van visch. In de schaduw van de bosschen brachten zij den dag in vadzige rust door, en als het 's avonds koel werd namen zij deel aan de spelen van de beminnelijke wilden, of dansten op de muziek van trommels, of op die, welke de wilden zelf maakten.
Velen van die avonturiers gevoelden geen neiging ooit weer tot het Europeesch leven met al zijn moeiten en zorgen terug te keeren. Hier ontbrak het hun aan niets. Columbus werd bestormd met dringende verzoeken, om op het eiland te mogen blijven. Voor al het scheepsvolk van beide schepen te zamen zou het ook zeer ongemakkelijk zijn geweest, om op de terugreis in een klein karveel opeen gepakt te worden. Dit bracht den admiraal er toe den grond te leggen voor een latere volkplanting op het groote en schoone eiland Hispaniola. Hij liet een
klein gezelschap achter, om het eiland te verkennen, zijn bronnen van rijkdom op te sporen, en zooveel mogelijk goud te verzamelen, waarna hij besloot naar Spanje terug te keeren, daar bericht te geven
van zijn groote ontdekking en later met nieuwe schepen en versterking weer te komen. Guacanagari had hem verteld, dat er vijandige Indianen waren, Caraïbiërs geheeten, die van tijd tot tijd op Haïti kwamen en velen meenamen, die zij gevangen genomen hadden. Dit bood Columbus een verontschuldiging voor het bouwen van een fort aan. De wilden hielpen hem trouw, omdat deze sterkte ook hen tegen de Caraïbiërs
zou beschermen. Hij bewapende het fort met het kanon, dat uit de schipbreuk gered was geworden. Hij liet er een klein garnizoen achter met krijgsvoorraad en leeftocht voor een jaar.
Vertrouwbare berichten kreeg men van de Pinta niet. Columbus achtte het waarschijnlijk, dat zij vergaan was. Er bleef dus nog maar één wrak schip over van de drie, die van Palos waren uitgezeild. Verging ook dit, dan zou niemand iets van de ontdekking hooren, en men zou aan Columbus als aan een opgewonden droomer gedacht hebben, die dwaselijk
zijn leven had verspild. Daarom besloot hij zijn broos vaartuig niet langer aan het gevaar bloot te stellen, dat het varen op onbekende zeeën met zich brengt, maar naar Spanje terug te keeren. Onuitputtelijk was de vriendelijkheid, die Guacanagari Columbus bewees. Gedurende den tijd, dat de admiraal het toezicht hield op
het bouwen van het fort, stond het opperhoofd hem het grootste huis in het dorp af. De vloer was met kunstig geweven palmbladeren bedekt, en er stonden stoelen van gitzwart hout, dat heel glad gemaakt was en op ebbenhout leek. Zoo dikwijls hij Columbus in zijn eigen woonplaats ontving, behandelde hij hem als koning en hing hem telkens een gouden sieraad of een ander kostbaar geschenk om den hals.
Eens bezocht het opperhoofd met vijf mindere hoofden den admiraal. Ieder gaf hem een gouden krans ten geschenke. Guacanagari droeg een vorstelijke kroon, die van goud was gemaakt. Hij nam die van zijn hoofd en zette haar Columbus op. Wederkeerig hing deze een streng prachtig gekleurde koralen om den hals van den vorst, bekleedde hem met zijn eigen karmozijnen mantel van fijne stof,
gaf hem een paar gekleurde laarzen en deed een zilveren ring aan zijn vinger, dien de wilden veel mooier vonden dan een van goud, omdat er op het eiland geen zilver was.
Het vooruitzicht een groote hoeveelheid goud te zullen krijgen, maakte Columbus heel blij. Hij begon zijn schipbreuk als een teeken van goddelijke gunst te beschouwen. In zijn dagboek schreef hij aangaande zijne verwachtingen op dat oogenblik: "Ik hoopte, dat ik bij mijn terugkomst uit Spanje een ton gouds vinden zou, die de achtergeblevenen door handel hadden verdiend; bovendien
nog, dat zij mijnen en specerijen in zulk een hoeveelheid hadden ontdekt, dat de koningen binnen drie jaren in staat zouden zijn gesteld een kruistocht te ondernemen ter verlossing van het heilige Graf." Met de hulp der wilden was het fort in tien dagen klaar, en zijn bewapening in orde. Columbus stelde nu zulk een volkomen vertrouwen in de wilden, dat hij niets van hen meende te vreezen te hebben. Hij beschouwde het fort werkelijk vooral noodig, om zijn eigen ordeloos
volk in bedwang te houden. Het gevaar dreigde, dat zij op hun tochten over het eiland allerlei losbandigheden zouden bedrijven, die de bewoners konden verbitteren. Hij noemde het fort de Geboorte, als een dankbare herinnering aan het feit, dat hij op Kerstdag aan een schipbreuk ontkomen was.
Negen en dertig mannen werden met zorg gekozen, om in garnizoen te liggen. Daaronder was ook een arts, en verscheidenen, die in de verschillende vakken van werktuigkunde bedreven waren. Het bevel werd aan Diego de Arana toevertrouwd. Hij was een ruiter uit Cordova,
van hooge afkomst en tot bevelvoeren in de wieg gelegd. Een sterke boot bleef achter voor de vischvangst, en zaad voor het bebouwen van den grond, benevens een menigte handelswaren. Het uur van vertrek brak aan. Columbus liet het heele garnizoen vóór zich komen, en hield allen in ernstige woorden den plicht voor, om
Guacanagari en zijn aanvoerders met den meesten eerbied en de grootste vriendschap te behandelen. Hij drong er op aan, om altoos minzaam en rechtvaardig met de inboorlingen om te gaan, en met hun vrouwen en
dochters vooral voorzichtig te wezen. Hij vermaande hen, niet uit elkander te gaan, maar bij elkander te blijven. Den bevelhebber, Arana, werd opgedragen om goud te verzamelen, mijnen op te sporen, en de voortbrengselen van het eiland te leeren kennen. Den 2en Januari 1493 gaf Columbus aan Guacanagari en zijn aanvoerders
een afscheidspartij. Al het scheepsvolk kwam aan wal, en zijn gasten werden met troepenbewegingen en spiegelgevechten vermaakt. De Indianen keken met groote verbazing en vrees naar de lange, glinsterende en
gewette zwaarden. En toen het kanon werd afgeschoten, en de steenen kogels, destijds in gebruik, de boomen deden schudden, beefden en juichten de duizenden inboorlingen, die dit feest had samengevoerd. Zij
beefden bij het zien van die vernielende kracht, en juichten bij de gedachte, dat zij niet meer bang behoefden te wezen voor de Caraïbiërs. Den volgenden morgen gaf een kanonschot het teeken tot vertrek. Een luid hoera! werd door het garnizoen en door het vertrekkend scheepsvolk aangeheven. Een gunstige wind dreef het schip voort, tot het aan den
oostelijken horizon verdween. Onder stormen en gevaren vervolgde de Nina haar reis naar Spanje. Het garnizoen werd aan een lot overgelaten, dat hierna zal beschreven worden.
ZESDE HOOFDSTUK. DE TERUGREIS. Op den 4en Januari 1493 zeilde Columbus van Haïti naar Spanje. Met een zachte bries gleed hij bijna in de schaduw van een hoog en kaal voorgebergte, waaraan hij den naam van Monte Christo gaf, voort. Door stilten en tegenwinden vorderden zij niet veel, en voeren nog maar altijd langs de kusten van het eiland, waarvan de uitgestrektheid en
pracht telkens meer in 't oog vielen. Zij hadden nog maar ongeveer 50 mijlen afgelegd, toen de wacht in de mast riep: "de Pinta, de Pinta!" En hij had gelijk. Door een zonderling toeval ontmoetten de
schepen elkander. Pinzon gehoorzaamde aan een wenk van den admiraal, en volgde hem in een kleine baai ten westen van Monte Christo, waar beide schepen ankerden. Pinzon verzon een flauwe verontschuldiging voor zijn wegloopen, en schreef het aan het weer toe. Ofschoon Columbus zich daardoor niet liet misleiden, oordeelde hij het toch maar 't verstandigst de zelfverdediging aan te nemen. Een van de matrozen op de Pinta beweerde, dat een Indiaan heel nadrukkelijk aan den kapitein van de Pinta had gezegd, dat er slechts op een paar mijlen afstands een mijn lag, die verbazend veel goud bevatte. Dit had den gouddorst
van Pinzon opgewekt. Hij dacht, dat hij zijn schip spoedig vol laden kon, om met die kostbare vracht naar Spanje terug te keeren, en dat hij zijn gedrag kon verdedigen door voor te geven, dat hij door een storm van Columbus was afgeraakt. Maar te vergeefs had men naar de mijn gezocht. Pinzon kon zich met zijn
schip te midden van kleine eilandjes en zandbanken niet vrij bewegen en werd ongerust. Kreeg hij met zijn schip een ongeluk, waardoor het niet meer te gebruiken zou wezen, dan was het bijna onmogelijk,
dat hij ooit weer naar Spanje kon terugkeeren. Daarom zette hij weer koers naar Hispaniola, en het is waarschijnlijk, dat hij verlangend naar den admiraal uitzag. Gedurende de scheiding was hij echter een rivier opgevaren, had daar drie weken vertoefd en er door handel met de inboorlingen een groote hoeveelheid goud gekregen. Men zegt, dat hij de eene helft er van voor zich zelf hield, en de andere onder de
zeelieden verdeelde, om hun het stilzwijgen op te leggen. In den avond van den 9en gingen de schepen gezamenlijk onder zeil. Den volgenden dag ankerden zij in den mond van dezelfde rivier, waar Pinzon handel had gedreven. Columbus noemde deze rivier Rio de Gracia, maar nu heet zij Porto Caballo. De wilden klaagden over Pinzon, omdat hij vier mannen en twee jonge meisjes met geweld had meegenomen, die Columbus dan ook aan boord van de Pinta vond. Pinzon had ze stellig
in Spanje willen verkoopen, maar nu gaf Columbus bevel allen vrij te laten. Ook gaf hij hun vele geschenken tot vergoeding van het doorgestane leed. Pinzon was heel boos, en gaf onwillig en morrend toe.
Toen men het anker weer lichtte, hadden zij een gunstigen wind tot kaap Cabron toe. Hier ontmoetten zij een zeer sterk ras van wilden, waarvan de krijgslieden zich afschuwelijk leelijk beschilderd hadden, gelijk de eerste vechtersbazen van de Indianen in Noord-Amerika doen. Zij waren met strijdknodsen gewapend en hadden zeer sterke bogen en pijlen met beenen punten en van hard hout, zoodat zij met bijna dezelfde kracht als een geweerkogel, iemand konden doorboren. Ook droegen zij zwaarden
van heel hard hout, en als ijzer zoo zwaar. "Zij waren niet scherp," schrijft Las Casas, "maar een paar vingers dik, en met één houw kon men er iemands helm mee in tweeën slaan."
De wilden waagden het niet de Spanjaarden aan te vallen. Integendeel, er was er één, die aan boord kwam, om pijlen en bogen te verkoopen. Columbus verstond hem zeker verkeerd, wanneer hij meende, dat hij door gebaren gezegd had, dat er in de nabijheid een eiland was, waar uitsluitend vrouwen woonden, die van tijd tot tijd door de Caraïbiërs werden bezocht. Werden er kinderen geboren, dan nam men de
jongetjes mee, en liet de meisjes bij de moeders achter. Columbus heeft hem stellig niet begrepen, want het is haast niet te onderstellen, dat de wilde guitig genoeg was, om de vreemdelingen zoo bij den neus te nemen. Columbus had ook verstaan, dat er zich in de wateren daar meerminnen ophielden, en hij zag er werkelijk eenigen. Het zijn
misschien zeekalveren geweest. De koppen hadden eenige overeenkomst met het hoofd van een mensch. Columbus ontving zijn gast met groote vriendelijkheid, in de hoop daardoor een aangenaam verkeer met den volksstam te bewerken. Maar het bleek, dat de moedige wilde aan boord gekomen was als verspieder, want, nadat men hem rijkelijk van
geschenken voorzien en met een boot aan wal gebracht had, begon hij te schreeuwen; dadelijk kwamen er vele wilden uit een hinderlaag te voorschijn en sloten zich bij hem aan. Zij deden hun best, om het scheepsvolk gevangen te nemen. Er ontstond een geduchte strijd. De Spanjaarden waren veel beter gewapend dan zij, en nadat de Europeanen twee gewond hadden, kozen de anderen het hazenpad. Dit was het
eerste gevecht tusschen Europeërs en de Indianen der Nieuwe Wereld, en, och, of het tevens het laatste mocht geweest zijn! De oorlog, op deze wijze begonnen, werd in latere jaren zoo geducht, dat de grond van bijna alle eilanden roodgekleurd werd door menschenbloed, en de inboorlingen geheel werden uitgeroeid. Het speet Columbus zeer, dat dit had plaats gehad. Hij was bang, dat het aanleiding geven zou tot een bloedigen aanval op zijn garnizoen. Den volgenden dag kwamen er vele Indianen op het
strand. Zij legden geen vijandelijke bedoelingen aan den dag, maar waren vriendschappelijk en vol vertrouwen. Een boot goed gewapende matrozen werd naar den wal gezonden. Dezen hadden een snoer schelpen bij zich, die, naar Columbus' meening, bij de Indianen was wat bij
beschaafde volken een vredevlag is. Het opperhoofd ging, met een vertrouwen, dat in deze omstandigheden wonderlijk schijnt, met drie mannen in de boot, en werd naar het schip van den admiraal geroeid. Zij werden hartelijk ontvangen en op de smakelijkste spijzen onthaald, die men op het schip had. Al wat er belangrijks te zien was werd hun getoond, en met vele geschenken, die door een menigte wilden werden bewonderd, keerden zij naar het strand terug. Uit dankbaarheid voor al die weldaden zond het opperhoofd
zijn gouden kroon aan Columbus. Uit latere beschrijvingen kan worden opgemaakt, dat dit opperhoofd Mayonabex heette, en de volksstam de Ciguayanen genoemd werd.
De vriendelijkheid had de gewenschte uitwerking. Columbus bleef er drie dagen, en de vriendschappelijke gezindheid duurde al dien tijd voort. Ofschoon het volk onder de wapenen bleef, bracht het toch onbevreesd katoen, vruchten en allerlei groenten op het schip. Er waren vier verstandige en hartelijke jonge mannen onder, waaraan Columbus zeer gehecht werd. Toen hij wegzeilde naar andere eilanden, die naar hun zeggen eenige mijlen oostwaarts lagen, gingen zij uit eigen beweging mee.
Den 16en Januari voeren de schepen weg. Columbus noemde de baai, die zij verlieten, en nu onder den naam van de golf van Samana bekend is, de Pijlengolf. Nadat zij ongeveer 60 mijlen afgelegd hadden, en het eiland Porto Rico naderden, werd de wind voor de thuisreis allergunstigst. Toen de matrozen gewaar werden, dat de schepen van
den weg naar Spanje afweken, om nog het genoemde eiland aan te doen, begonnen zij te morren en drongen er op aan naar huis te gaan. Columbus wist, dat hij geen tijd verliezen kon, omdat zijn schip erg lek was, en de zeelieden op het punt stonden oproerig te worden. Op de
trouw van Pinzon viel weinig te rekenen, en zoo hij weer schipbreuk leed, kon het gebeuren, dat hij zelf met al zijn aanteekeningen en gedenkschriften een graf vond in den oceaan. Dan zou de kennis van de groote ontdekking voor de wereld verloren zijn.
Tot groote vreugde der matrozen wendde Columbus het roer, en zette koers naar Spanje. Hij had waarschijnlijk weinig moeite de vier jonge Indianen tot die reis over te halen, daar hij hun beloven kon ze spoedig weer naar hun land terug te zullen brengen, als hij hun eerst de wonderen van de oude wereld had laten zien. Niets is veranderlijker dan de wind, zegt het spreekwoord. In den
verderen loop van Januari waren er nu eens zachte koelten dan weer windstilten. De Indianen sprongen vaak zoo maar in de effen zee, en zwommen als visschen om de schepen heen. Even als in 't menschelijk leven werd kalmte door stormen afgewisseld. Vreeselijke orkanen zweepten den oceaan, en de razende
golven dreigden hen te verslinden. De admiraal zag zich dikwijls genoodzaakt het zeil in te halen, opdat de Pinta bij kon blijven. Door wolken, duisternis en hooge golven omringd, wisten zij niet, waar zij
zich bevonden, en Pinzon, zoowel als de twee stuurlieden, verschilden in gevoelen hieromtrent met Columbus. Naar hun meening waren de schepen 400 mijlen dichter bij Spanje dan Columbus dacht. Columbus had gelijk. Las Casas maakt de merkwaardige opmerking, dat Columbus hen niet uit de dwaling hielp, en hen zelfs nog meer in de war trachtte te brengen, opdat zij niet meer zouden weten, hoe zij reizen moesten,
en hij alleen de rechte kennis zou hebben van den te volgen weg. Wij kunnen dit vreemde verhaal niet gelooven. Pinzon toch en de drie stuurlieden waren in den dienst vergrijsde matrozen. Ze waren naar de Nieuwe Wereld geweest, kwamen nu terug, en moesten dus wel den te volgen weg kennen. Toen zij het einde van hun lange reis naderden,
stak er den 12en Februari een verschrikkelijke storm op, die met steeds grootere kracht drie dagen aanhield. In dezen storm verloor men de Pinta uit het gezicht. Lang niet ongegrond was Columbus' vrees, dat de zwakke karveel met man en muis door de onstuimige zee was verslonden. Een droevige morgen volgde akelig en stormachtig op een langen nacht. De oceaan bleef woest, en men zag niets, dan de razende golven, men hoorde niets dan haar dreigend geloei. In overeenstemming met
de gebruiken van dien tijd, werd het lot geworpen, om te zien, wie, zoo hij uit den storm mocht worden gered, een pelgrimstocht zou doen naar de reliquieën van de Heilige Maagd te Guadaloupe, met een 5 ponds
waskaars in de hand. Men deed boonen in een muts, en maakte op één er van een kruis. Columbus was de eerste die er een uitnam. Het lot viel op hem. Op nieuw werd het lot geworpen voor een pelgrimstocht naar de reliquieën van de Maagd te Loretto. Het viel op een matroos, wiens naam Pedro de Villa was. De admiraal beloofde hem de kosten
van zijne reis voor zijne rekening te nemen. De gelofte scheen niet veel te helpen, want de storm hield met onverminderde woede aan. Om aan de Heilige Maagd een nog grootere
belooning aan te bieden, wanneer zij te hunnen behoeve tusschen beide wilde komen, legden Columbus en zijn volk de belofte af, dat zij in het eerste land, waar zij zouden komen, zoo daar een kerk mocht zijn aan haar gewijd, allen in plechtigen optocht, barrevoets en in het hemd naar haar reliquieën zouden gaan, haar hun gebeden opdragen en
haar lof zouden zingen. Nog altijd gierde en huilde de storm. De ongerustheid van Columbus in deze dreigende gevaren, waarbij hij meer aan het te loor gaan van de groote ontdekking dan aan het verlies van zijn leven dacht,
kan het best in zijn eigen woorden worden uitgedrukt, die hij tot den koning richtte. "Ik zou dezen tegenspoed," schrijft hij, "met minder verdriet hebben
kunnen dragen, als ik alleen in gevaar was geweest, want den Schepper ben ik levenslang veel verschuldigd, en tusschen mij en den dood is vaak maar één schrede geweest. Maar deze gedachte veroorzaakte mij veel verdriet en zorg, dat God, na mij met zijn licht bestraald,
na mij geloof en vertrouwen in deze onderneming te hebben gegeven, thans alles door mijn dood zou te niet doen, nu ik op het punt stond mijn bestrijders te overtuigen, en Uwe Majesteit grooten roem en
aanzienlijke vermeerdering van gebied te verzekeren. Ook zou de tegenspoed verdragelijker zijn geweest, als ik niet door menschen vergezeld was geworden, die ik door overreding meelokte, en die in hun angst het uur van hun heengaan niet alleen vervloekten, maar evenzeer de vrees, die hun mijn woorden inboezemden, en hen belette terug te keeren, waartoe zij dikwijls besloten.
"Boven alles werd mijn verdriet verdubbeld, als ik aan mijn beide zonen dacht, die ik in een vreemd land op een school te Cordova arm achterliet, zonder eenig bewijs van de door hun vader bewezen diensten, die, zoo ze bekend waren, Uwe Majesteit misschien bewogen zouden hebben hen in Uw gunst te doen deelen. En ofschoon ik aan den eenen kant getroost werd door het geloof, dat God niet zou dulden, dat een arbeid, die op de verheerlijking Zijner kerk uitloopen moest en onder zooveel moeiten en strijd was verricht, onvoltooid bleef,
dacht ik toch aan den anderen kant met het oog op mijn zonden, dat het Gods bedoeling kon zijn mij te straffen door mij den roem te doen missen, die mij in deze wereld zou ten deel vallen."
In deze angstvolle uren schreef Columbus op perkament een kort verhaal van zijn ontdekking. Het werd zorgvuldig ingepakt, verzegeld en aan den koning en de koningin geadresseerd. Bovenop stond de belofte geschreven, dat hij f 5000 bekomen zou, die het pakje ongeopend aan hun Majesteiten overhandigde. Het geheel werd in een wassen omslag gewikkeld en in een koek van was gestoken. Die werd nog weer in een sterke, waterdichte doos gedaan en in de onstuimige zee geworpen. Of
zij ooit gevonden werd is niet bekend. [1] Langzamerhand bedaarde de storm. De lucht in het Westen helderde op, en dit was een teeken, dat de storm voorbij was. Des nachts schenen de sterren weer in al haar glans. Ofschoon de golven nog zeer ontstuimig
bleven, kwam de zon des morgens aan een wolkeloozen hemel op, en deed een voordeelige wind de zeilen weer zwellen. Juist toen de zon opkwam, werd de vreugdevolle kreet: land! gehoord.
Zooals Columbus dacht, was het ook. Op 15 mijlen afstands zag men de Azoren. Spoedig echter stak de wind weer op, en wakkerde hij tot een nieuwen storm aan. Tegenwind dreef hen terug, en eerst aan den avond van den 17en kon men aan de noordzijde van het eiland St. Maria, het zuidelijkste eiland van de Azoren, het anker uitwerpen. De bewoners
verwonderden zich zeer, dat zulke zwakke vaartuigen aan de kracht van stormen weerstand hadden kunnen bieden, die vijftien dagen lang den oceaan met zeldzame woede gezweept hadden. De vrome Columbus bracht zijn volk de belofte in herinnering, om in optocht naar de eerste kerk te gaan, die zij, ergens landende, vinden zouden, en aan de Heilige Maagd was gewijd. Trouw hield men een
gelofte, die in die dagen niet vreemd was. Eerst ging de eene helft van de bemanning met een priester voorop, om de mis te bedienen. Allen liepen in het hemd. St. Maria was een Portugeesch eiland. Toen de eerste processie of omgang verscheen, en dan nog wel zóó, liep het heele dorp uit, om er naar te kijken. De gouverneur was ook over deze vertooning verwonderd, en, niet wetende wat dit beteekenen moest, liet hij een escadron
dragonders aanrukken, en nam hen allen gevangen. De ongekleede en ongewapende mannen konden niet vechten, en de kapel lag achter een hoogte, zoodat Columbus haar niet kon zien. Maar toen hij hoorde, wat
er had plaats gegrepen, schreef hij het aan de vijandelijke houding toe, die het Portugeesche hof tegenover hem en zijn onderneming had aangenomen. Hij had een onderhoud met den gouverneur, waarbij scherpe woorden werden gewisseld. De gouverneur, Castaneda, was niet vriendelijk gestemd. Hij nam een trotsche houding aan en verklaarde, dat al, wat
hij gedaan had, met de bevelen van den koning overeenkwam. Columbus vreesde, dat er gedurende zijn afwezigheid een oorlog tusschen Spanje en Portugal was uitgebroken. Hij wapende al zijn manschappen, en bereidde zich krachtig voor, om te voorkomen, dat men hemzelf gevangen
nam. Een sterke wind verhief zich, die recht op het strand aankwam, en dus de ankerplaats onveilig maakte, zoodat Columbus genoodzaakt werd zee te kiezen. Twee dagen dreef hij in groot gevaar rond, terwijl de helft van zijn scheepsvolk gevangen zat.
Den 22en bedaarde het weder. Toen hij op de ankerplaats kwam, zag hij een Portugeesche boot met twee priesters en een hoofdofficier van de Regeering op zich afkomen. Deze beambte gedroeg zich veel vreedzamer dan Castaneda geweest was. In naam van den gouverneur verzocht hij inzage in de scheepspapieren. Het schijnt, dat de gouverneur hen voor zeeroovers had aangezien, die destijds alle zeeën onveilig maakten. Columbus, die nog altijd
vreesde, dat hij door verraders vervolgd werd, liet zijn geloofsbrieven zien. Dit gaf algeheele voldoening, en de naakte pelgrims kregen de vrijheid terug. Toen de zaak zoo afgeloopen was, ging Columbus blootshoofds en barrevoets met de andere helft van zijn volk ter vervulling zijner
geloften naar de reliquieën van Onze Lieve Vrouwe. Van Pinzon hoorde men niets. Waarschijnlijk was hij omgekomen. Columbus ging den 24en Februari, na een oponthoud van vijf dagen op St. Maria, weer onder zeil. Toen hij omstreeks 300 mijlen van kaap St. Vincent verwijderd was, begon het op nieuw te stormen. Op het laatst kwamen er woorden
van ontevredenheid over de lippen van den heldhaftigen admiraal. Nu hij zoo dicht bij huis kwam, vond hij het hard, dat hij, na met zoo vele stormen gekampt te hebben, nu weer zoo fel bestreden werd. In het tropische paradijs door hem ontdekt, had het nauwelijks hard gewaaid. Daar was de lucht zonnig, de wind met liefelijke geuren vervuld en de zee kalm. Gelukkig kwam hij goed van den storm af.
Op den 4en Maart werd Columbus bij het aanbreken van den dag aangenaam verrast door het zien van Cintra, een rots, die dicht bij den mond van de Taag, in Portugal, ligt. Ofschoon hij van de zijde
van het Portugeesche hof voor verraad vreesde, werd hij toch door het stormachtige weer genoodzaakt, die rivier op te varen, 's Middags te 3 uur kon hij tegenover Rastello veilig ankeren. De menschen hadden al den heelen morgen op het strand staan te kijken naar den strijd van het broze vaartuig met de woedende elementen. Ieder oogenblik hadden
zij verwacht, dat het door de hooge golven, waardoor het geteisterd werd, in de diepte zou worden geslingerd. Zij klouterden tegen het schip op, en wenschten allen aan boord geluk met hunne wonderbaarlijke redding. De meest ervaren zeelieden betuigden, dat zij nog nooit een winter met zulke aanhoudende en geweldige stormen hadden beleefd. Onmiddellijk zond Columbus een koerier naar het Spaansche hof,
om zijn aankomst te berichten. Ook vroeg hij het Portugeesche hof schriftelijk verlof, om de haven van Lissabon te mogen inzeilen. Op de ree lag een groot oorlogsschip voor anker. Het was een Portugeesch
wachtschip. Den volgenden dag gelastte de Portugeesche kapitein den Spaanschen admiraal bij hem aan boord te komen. Columbus zei, dat zijn waardigheid dit niet gedoogde; hij eischte recht en weigerde
niet alleen zelf te komen, maar evenzeer een plaatsvervanger te sturen. Zoodra de kapitein, Don Alonzo de Acuna, van Columbus' hoogen rang en van de buitengewone reis kennis droeg, bewees hij hem al
de hulde, die de eene dappere den anderen schuldig is. Hij bemande zijn grootste boot, tooide die met vlaggen, plaatste de stafmuziek er ook in, en ging zelf in het achterschip zitten, om den admiraal een bezoek te brengen. Ten volle zijn rang erkennende en den grooten dienst, dien hij aan de wereld bewezen had, stelde hij zich zelf en zijn schip beleefd ter beschikking van den grooten ontdekker.
Toen het nieuws Lissabon bereikte, dat Columbus, die zoo lang maar te vergeefs de hulp van Portugal had ingeroepen, werkelijk een nieuwe wereld ontdekt had, en nu, na zijn roemvolle reis, veilig op
de Taag voor anker lag, ging de opgewondenheid haast alle perken te buiten. Schuiten en booten van allerlei soort verdrongen elkander op de rivier, en gingen om het schip heen, dat vol stond met menschen, en met zulke vreemde vruchten, alsof ze van de sterren waren gehaald. Oud en jong, mannen en vrouwen, rijk en arm, ieder was nieuwsgierig. Van den morgen tot den avond verdrongen de bezoekers elkander op het
schip. Al het geduld van Columbus en van het scheepsvolk was noodig, om telkens en telkens weer een verhaal van hun wedervaren te geven. De verbazing van de menigte werd het allereerst geboeid door de Indianen met hun schitterend kleed van fraai gekleurde franje en veeren, dat zij op feestdagen droegen. Ook wekte al het goud bewondering op. Nooit
hadden ze ook zulke planten en dieren gezien. Zoowel het hof als het volk gevoelde spijt, dat zulk een ontzaglijk voordeel hun ontgaan was. Koning Jan hield zich toen te Valparaiso op, omstreeks 30 mijlen van Lissabon. Op den 8en Maart kwam een Portugeesche grande namens den koning bij Columbus, om hem met zijn aankomst geluk te wenschen,
en hem aan het hof te verzoeken. Ook vaardigde de koning het bevel uit, dat alles, wat de admiraal voor zich, voor zijn schip of zijn scheepsvolk noodig had, kosteloos moest verstrekt worden. Columbus begaf zich aanstonds op reis naar Valparaiso. Overal moest hij onderweg, dit wilde de koning, op de ruimste wijze onthaald worden. Toen hij bij het paleis kwam, gingen alle leden van de koninklijke hofhouding hem te gemoet, en voerden hem in de tegenwoordigheid van den koning. Deze ontving Columbus met de meeste onderscheiding,
deed hem naast zich plaats nemen, alsof hij ook van koninklijken bloede was en verzekerde hem, dat alles, wat hem in zijn koninkrijk van dienst kon zijn, ter zijner beschikking stond. De koning luisterde met gemengde gewaarwordingen, zoo van vreugde als van spijt, naar het verhaal van den rijkdom, de schoonheid en de talrijke bevolking van de wonderwereld, die Columbus door zijn
ontdekking het Spaansche rijk schonk. Er werd bepaald, dat Columbus den nacht de gast zou zijn van een der hoogste adellijken aan het hof. Den volgenden dag verlangde de koning een tweede onderhoud. Blijkbaar had
hij des nachts tal van vragen bedacht met betrekking tot den te volgen weg voor de reis, het klimaat, den grond, de voortbrengselen van de streken, die hij bezocht had, en het vooruitzicht, om goud te krijgen. Een lage geest van nijd en ijverzucht vervolgde Columbus. Zij,
die met zijn onderneming den spot gedreven hadden, trachtten nu op alle mogelijke manieren zijn diensten te onderschatten. Zijn daden hielden zij voor de uitvloeisels van de onedelste beweegredenen. De
waarde van de ontdekking werd geminacht. Zij beschuldigden hem van blufferij en grootsprekerij, en trachtten hem belachelijk te maken.
Sommigen, ziende, dat de koning geheel uit zijn humeur was, stelden voor Columbus te vermoorden, als een middel om de voortzetting van deze ondernemingen te beletten, bewerende, dat hij den dood verdiende, omdat hij door zijn beweerde ontdekkingen beide volken poogde te misleiden en oneenig te maken. Dat de moord gemakkelijk kon worden
volvoerd zonder eenig schandaal te verwekken, wist men elkander te duidelijk te maken; men kon van zijn hooghartigheid gebruik maken, en die kwetsen, hem in een twist wikkelen en dan om het leven brengen, alsof het een toevallig en eervol gevecht was geweest. Dit feit wordt zoowel door Portugeesche als Spaansche
geschiedschrijvers voor waarheid gehouden. En 't is zoo, in die dagen van onwetendheid en ondeugd, kon er haast zoo'n slechte daad niet zijn, die aan de Europeesche hoven geen verdedigers vond. Maar koning Jan II verwierp het schandelijke voorstel, ofschoon hij verbazend veel spijt gevoelde, wanneer hij aan het door Portugal geleden verlies
dacht, en aan het voordeel en den roem, die Spanje kreeg, omdat hij de onderneming van Columbus niet had willen steunen. Enkelen van 's konings raadgevers stelden voor, dat men Columbus verlof zou geven naar Spanje terug te keeren, en dan onmiddellijk een sterke vloot uitzenden, om de pas ontdekte landen in den naam van Portugal in bezit te nemen, nog meer verkenningen doen en koloniën
vestigen. De koning was laag genoeg, om aan die inblazingen het oor te leenen. Heimelijke maar tevens krachtige maatregelen werden er genomen, om een smaldeel uit te zenden, en een van de beroemdste zeekapiteins dier dagen, Don Francisco de Almeida, werd het bevel opgedragen. Door een groot aantal ruiters werd Columbus naar zijn schip
begeleid. De koningin was in een klooster te Villa Franca. Op haar ernstig verzoek hield Columbus zich daar op, en werd met de vleiendste oplettendheden ontvangen. De koningin was door de voornaamste dames uit het land omringd. Met groote belangstelling luisterde zij naar het verhaal van Columbus, waarin meer dichterlijke voorvallen voorkwamen,
dan in de verzonnen verhalen van de beroemdste schrijvers. Toen de admiraal op de Nina teruggekomen was, stak hij den 13en Maart in zee, en een tweedaagsche vaart bracht hem te Palos. Zijn
eenzaam scheepje voer op den middag de haven binnen, die hij den 3en Augustus van 't vorige jaar verlaten had. Hij was dus nog geen volle zeven maanden weg geweest voor de merkwaardigste reis, die ooit ondernomen werd. De terugkomst van Columbus te Palos, met de bewijzen, die aan geen twijfel onderhevig konden zijn, van zijn groote ontdekking, werd de
aanleiding tot een tooneel van vreugde, zooals deze aarde zelden heeft gezien. Terwijl er maanden voorbij gingen, waarin men geen tijding kreeg, werd er ondersteld, dat allen, die aan dien tocht deelgenomen hadden, omgekomen waren te midden van onbewuste gevaren op een onbekende zee. De verschijning van de door storm geteisterde karveel, langzaam de haven inzeilende, bracht de eerste tijding van de avonturiers
sedert hun vertrek. De Nina was alleen, en de beide andere schepen zag men niet. De verschrikkelijke stormen van den vorigen winter hadden de algemeen gedeelde vrees vermeerderd, dat de twee schepen door de onstuimige golven waren verzwolgen. De onzekerheid was
vreeselijk. Er was haast geen familie in Palos, waarvan niet een vriend of bloedverwant deelgenomen had aan den tocht. Zoodra het schip de ankerplaats bereikt had, en men den gunstigen uitslag van de reis vernam; ook dat het scheepsvolk van de Santa Maria zich op de Nina bevond, en men nog vóór een paar dagen de Pinta had gezien, was de vreugde onbeschrijfelijk. Een van de eerste daden van den vromen man was met al zijn volk naar de kerk te gaan, om God voor de gelukkige thuiskomst te danken.
De blijde tijding vloog over Spanje, als het vuur over de prairieën. Vreugdevuren brandden op de hoogten, uit elke vesting hoorde men saluutschoten en alle kerkklokken werden geluid. Om de vreugde nog grooter te maken, liep in den avond van dezen zelfden dag, terwijl de klokken luiden, het kanon losbrandde en het volk juichte,
de Pinta de haven binnen. Door den storm voortgedreven, was het Pinzon gelukt de haven van Bayonne, in de baai van Biskaye, te bereiken, en kon hij er het einde van den storm afwachten. Toen hij de haven van Palos inkwam, en getuige werd van de geestdrift, waarmee Columbus ontvangen was, kan het wel zijn, dat de gedachte aan
zijn misdaad, het ontvluchten van zijn admiraal, hem zeer ter neer drukte. Het was zijn eigen schuld. Het stond gelijk met het wegloopen van een soldaat op het oorlogsveld, en stelde hem aan gevangenisstraf en zware kastijding bloot. Zijn verdriet was zoo groot, dat hij een
boot nam, alleen aan land ging, zijn woning opzocht en zich niet op straat vertoonde, vóór de admiraal op reis was gegaan naar het hof. Deze noodlottige afval is zeer te betreuren. Ontkend worden kan het niet, dat de goede uitslag van den tocht voor geen gering deel aan
Martin Alonzo Pinzon te danken was. Hij was een van de eersten in Spanje, die de plannen van Columbus naar waarde kon schatten. Met zijn geld en zijn persoonlijken invloed ondersteunde hij den armen avonturier krachtig, en even belangrijk was zijn hulp bij de aanschaffing en uitrusting van schepen. En eindelijk, hij scheepte
zich met zijn broeder en vrienden in, zoodat hij niet alleen zijn rijkdom maar ook zijn leven in de waagschaal stelde.
Ook moet, om geen te scherp oordeel te vellen, gezegd worden, dat hij een zeer bekwaam zeeman was, die veel ondervinding had. In dat opzicht stond hij niet beneden Columbus. Hij was een man van hoogen stand en werd door een edele eerzucht bezield. Zijn geschiedenis leert, hoe één plicht verzuim de verdienste van duizend diensten te niet kan doen; hoe één oogenblik van zwakheid de schoonheid van geheel een deugdzaam leven bederven kan, en
hoe allernoodzakelijkst het voor een mensch is, om onder alle omstandigheden waar te zijn, niet slechts tegenover anderen, maar ook tegenover zich zelf.
Pinzon was in ongenade gevallen, en mocht niet aan het hof komen. Niet lang daarna werd hij ernstig ziek, waarbij zich waarschijnlijk ook een zielsziekte voegde, en--eindelijk stierf hij. Later heeft Karel V, zijn familie, uit erkentelijkheid voor zijn schitterende diensten, tot den adelstand verheven. Zij mocht ook een wapen voeren, waarop de groote ontdekking zinnebeeldig was voorgesteld.
De koning en de koningin waren te Barcelona, dat zeven honderd mijlen van Palos ligt. Onmiddellijk werd er een boodschap naar Columbus gezonden, en verzocht men hem ten hove te verschijnen. Dit noodzaakte
hem tot het afleggen van een lange reis, die in deze omstandigheden een ware triomftocht was. Van het eiland had hij tien Indianen meegenomen, waarvan er één onderweg stierf. Drie moest hij te Palos achterlaten, omdat ze ziek waren, en dus konden maar zes met hem meegaan.
Voor een reis door het hart van Spanje was het jaargetijde prachtig. Op elke mijl bijna werd Columbus met een gejuich ontvangen, als wellicht nog nooit te voren een sterveling ten deel viel. De Indianen, die hem vergezelden, waren prachtig versierd en droegen gouden tooisels
en kroontjes met fraai gekleurde veeren. Men liet aan de duizenden nieuwsgierigen alle voortbrengselen der nieuwe wereld zien, die hun vreemd waren. De optocht te paard was indrukwekkend. Columbus bereed een prachtig ros en werd door een grooten stoet vergezeld. Langs den weg stroomde het landvolk bij duizenden toe, om van die zeldzame vertooning
getuigen te zijn. De straten, de vensters, de balkons waren opgepropt met nieuwsgierigen. Nooit heeft een koninklijke triomftocht dit schouwspel overtroffen. Omstreeks half April kwam hij te Barcelona
aan. De meeste adellijke personen van Castilië en Arragon hadden zich derwaarts begeven, om hem hulde te bewijzen. Toen de ruiterstoet de stad naderde, gingen allen hem te gemoet, vormden een langen trein en begeleidden hem naar het paleis. Ferdinand, Isabella en prins Jan, hun zoon, zaten onder een zijden troonhemel in een groote zaal, die voor deze gelegenheid in gereedheid
was gebracht. De edellieden en de voornaamste personen van de beide rijken vulden verder de zaal. Toen Columbus binnentrad, richtte aller oog zich op hem.
"Men kon hem dadelijk herkennen," schrijft Las Casas, "want zijn gestalte was lang en majestueus, zijn houding deftig en zijne gelaatstrekken waren vol uitdrukking. Zijn lange, grijze haren maakten zijn verschijning nog eerwaardiger. Een glimlach speelde om zijn mond, en verried, dat hij voor de hulde, die men hem bewees,
niet ongevoelig was." Toen Columbus de vorsten naderde, stonden zij uit eerbied op, en verzochten hem naast hen plaats te nemen. Deze eer ontvingen alleen personen van den hoogsten rang. Overeenkomstig de hofgebruiken, knielde Columbus neer, en wilde hun handen kussen. Na eenige aarzeling stonden ze dit toe. Nadat hij was gaan zitten, deed de admiraal aan het koninklijk echtpaar en het talrijk gehoor, een verhaal van de
merkwaardige gebeurtenissen op zijn reis. Hij liet de vogels van het land zien, met hun zeldzaam prachtige veeren; enkelen leefden, anderen waren opgezet. Stofgoud, gouden snuisterijen en sieraden, en vooral de gouden kroontjes, die door de wilden zoo kunstig mogelijk waren bewerkt, trokken de aandacht van vorsten en edelen, allen evenzeer hongerend en dorstend naar goud. Ook de inboorlingen met hun groote gestalte en met een leest, die een beeldhouwer niet schooner zou
hebben kunnen maken, met hun vriendelijken lach en innemende manieren, zoo netjes gekleed in hun schitterend feestgewaad, trokken groote en voortdurende belangstelling.
Het is vermeldenswaard, dat de koning, de koningin en alle aanwezigen bij het einde van het verhaal op de knieën vielen, in de handen klapten en in den dank deelden door het koor in de woorden van het lied uitgedrukt: "U, o God! prijzen wij." Kreten of luidruchtige openbaringen van gevoel werden niet gehoord. Het opgewekte gevoel was te diep om zich luide te uiten, en in veler oogen stonden tranen. Maar wat is de mensch! Deze ontdekking, die voor allen een groote
zegen had kunnen worden, bleek voor de bewoners van de Nieuwe wereld een vloek te zijn. Het was een eeuw van onkunde. Bijna niemand verhief zich boven de toen overal heerschende dweeperij, boven het bijgeloof. Columbus moet men dan ook niet in het licht van de 19e, maar van de 15e eeuw beschouwen. Altoos peinsde hij nog maar over de bevrijding van het
Heilige Graf. Aan dit plan wilde hij al het geld besteden, dat zijn groote onderneming hem opleveren zou. Op zich zelf waren goud en eer niets voor hem, alleen voor zoo ver ze hem dienstbaar konden zijn aan de uitvoering van zijn vroom plan, waarop God naar zijn mening
met welgevallen nederzag. Hij hield zich van het welslagen zoo vast verzekerd, dat hij de gelofte deed binnen zeven jaren een leger van 50000 man voet- en 4000 man paardevolk op de been te zullen brengen, om Palestina van de Turken te bevrijden.
Dit denkbeeldig plan was met hem samengegroeid; zijn hart en zijn verstand waren er van vervuld. Het kwam hem voor, dat de hemel hem daarom uitgekozen en voor zijn groote onderneming met een zeldzamen geest bezield had, opdat hij dien heiligen kruistocht tot eer van God en tot heil van de menschen gelukkig zou ten einde brengen. Hieruit blijkt, dat zijne plannen volstrekt niet zelfzuchtig waren; dat hij ver boven inhaligheid verheven was, en hoe vol hij was van vrome
en heldhaftige plannen, zooals die tijdens de kruistochten ook de hoofden verhit en de ondernemingen van de dapperste krijgslieden en de grootste vorsten geleid hadden.
ZEVENDE HOOFDSTUK. DE TWEEDE REIS. De opgewondenheid, door de groote ontdekking van Columbus veroorzaakt, deelde zich aan de geheele beschaafde wereld mee. Genua was er trotsch op en juichte, dat de groote ontdekker daar het levenslicht had gezien. Engeland was destijds een zeemogendheid van weinig beteekenis. Toen het nieuws Londen bereikte, beschouwde men de geheele gebeurtenis meer van goddelijken dan van menschelijken aard. Sebastiaan Cabot was toen te Londen. De tijdingen wekten de vurige begeerte bij
hem op, om ook zulke heldhaftige daden te doen. Zoo is hij er toe gekomen die beroemde zeereizen te doen, welke zijn naam onsterfelijk hebben gemaakt. Om de gevoelens duidelijk te maken, die in de harten der geleerden van dien tijd werden opgewekt, zullen we een kort uittreksel meedeelen
van een brief, door Peter Martyr aan zijn geleerden vriend Pomponius Laetus geschreven. "Waarde Pomponius, gij schrijft, dat gij van vreugde opsprongt en tevens hebt geweend, toen gij mijn brief laast, waarin het bestaan van de onbekende wereld der tegenvoeters wordt bevestigd. Gij hebt gehandeld en gevoeld zooals het een man past, die om zijn geleerdheid beroemd is; want ik ken geen smakelijker voedsel voor een ontwikkeld en
rijk verstand dan zulk nieuws. Mijn geest is telkens zeer opgewekt, wanneer ik met verstandige lieden spreek, die in die oorden zijn geweest. Zoo vroolijk is een gierigaard, wanneer hij zijn rijkdom vermeerderd ziet. Ons hart, door de dagelijksche zorgen van het
leven verontrust, en door maatschappelijke ondeugden verontreinigd, verheft zich en wordt verbeterd, wanneer het in zulke roemrijke gebeurtenissen deelt." Niet één echter, die de eigenlijke beteekenis van de ontdekking
begreep. Algemeen geloofde men, Columbus zoowel als alle anderen, dat hij een nieuwen weg naar die groote landen van Indië gevonden had, welke nog nooit door beschaafde menschen waren bezocht. Bij niemand kwam de gedachte op, dat de pas ontdekte landen deelen waren van
een geheel onbekend vastland, duizenden zeemijlen, zoowel van Indië als van Europa en Afrika, af. Daarom werden die landen West-Indië genoemd. En daar die streken nog nooit onderzocht waren geworden, en stellig grenzenloos groot zouden blijken te wezen, kon men ze ook terecht de Nieuwe wereld noemen.
Gedurende Columbus' verblijf te Barcelona, was hij het voorwerp van ieders belangstelling. De koning en de koningin gaven hem telkens nieuwe bewijzen van hun gunst. Ferdinand reed dikwijls te paard,
met Columbus aan den eenen kant en zijn zoon, prins Jan, aan den anderen. Hij kreeg een wapen ter herinnering aan zijn daden. De buitengewone eer was hem beschoren op zijn wapenschild de koninklijke wapens van Castilië en Leon te mogen plaatsen met een eilandengroep door golven omringd er bij met de zinspreuk:
Aan Castilië en Leon Gaf Columbus een Nieuwe wereld. Aan Columbus werd het jaargeld toegelegd, dat de souvereinen aan hem hadden beloofd, die het eerst land ontdekken zou. Velen waren van
gevoelen, dat dit niet eerlijk was. Het is niet zeker, dat het door Columbus geziene licht, "een kaars lijkende, die op en neer ging," van een eiland kwam. En werkelijk waren er nog al sterke bewijzen, dat dit niet zoo was geweest. Helps schrijft: "Hunne majesteiten hadden een jaargeld van 10.000 marevedi [2] beloofd
aan den gelukkige, die 't eerst land zien zou. De Pinta was vooraan, en van haar dek zag des morgens te 2 uur Rodrigo de Triana het eerst land. Voor dezen armen matroos kan het ons niet anders dan spijten,
dat hij geen belooning kreeg. De admiraal kreeg het jaargeld." Irving schrijft: "Op het eerste gezicht schijnt het met de erkende grootmoedigheid van Columbus weinig te strooken, dat hij dien armen
zeeman den prijs deed ontgaan; maar dit raakte zijn eerzucht te zeer, en hij was er zonder twijfel trotsch op, niet alleen de onderneming ontworpen, maar ook zelf het land te hebben ontdekt.
"Maar dit verschoont zijn gedrag niet, al wordt het er door verklaard. Het zou Columbus veel meer tot eer hebben verstrekt, als hij gezegd had: ten aanzien van het licht, dat ik zag, bestaat er onzekerheid, maar zeker is het, dat Triana het eerst land heeft
gezien." [3] Terwijl Columbus te Barcelona was, moet het bekende voorval met het ei plaats gehad hebben. Volgens het verhaal noodigde Pedro Gonzales de Mendoza, Groot-kardinaal van Spanje en de eerste onderdaan van het rijk, Columbus op een feestmaal. De admiraal kreeg aan tafel de eereplaats. Een van de hovelingen, die ijverzuchtig was op de eer,
die den ontdekker bewezen werd, vroeg hem, of hij dacht, dat, als hij de Indiën niet ontdekt had, een ander het niet zou hebben kunnen doen. Columbus gaf geen antwoord. Maar een ei nemende, verzocht hij ieder van het gezelschap te beproeven, of hij het op één eind kon laten staan. Niemand evenwel kon het doen. Nu zette Columbus het ei met een kleinen tik op tafel, waardoor het een deuk kreeg, zoodat het
staan kon. Zoo maakte hij duidelijk, dat het, nu hij eenmaal den weg had gewezen, gemakkelijk was, dien weg naar de Nieuwe wereld te volgen. De Roomsche kerk leerde in die dagen, dat haar zendelingen recht hadden, om invallen te doen in elk land, waar heidenen woonden, en het in bezit te nemen, ten einde de macht der kerk te
vergrooten. De Spaansche vorsten wendden zich dadelijk tot den paus, opdat hij hun aanspraken op alle landen, die zij ontdekt hadden, zou bekrachtigen. Paus Martinus V had aan de kroon van Portugal alle landen, die ontdekt mochten worden, toegewezen, van kaap Bojador af tot Indië toe. Daarom trachtte de koning van Portugal, krachtens
deze toewijzing, aanspraak te gronden op de door Columbus ontdekte landen. In het verzoek, dat de Spaansche vorsten tot Paus Alexander VI richtten, verklaarden zij, dat de gedane ontdekkingen de Portugeesche
bezittingen niet benadeelden. Ferdinand en Isabella werden als trouwe leden van de kerk beschouwd. Dat zij de ongeloovige Mooren uit Spanje verdreven stond, meende men, met een heiligen kruistocht gelijk. Hun aan den paus gedaan verzoek, werd gereedelijk ingewilligd, en om te maken, dat de aanspraken niet in botsing kwamen, werd er een denkbeeldige lijn getrokken van de noord- naar de zuidpool, 300 mijlen ten Westen van de Azoren. Al het land, dat aan de westzijde van deze lijn lag, en door Spaansche zeelieden mocht worden ontdekt, zou de Spaansche
kroon behooren; wat oostwaarts lag aan Portugal. Er doen zich met betrekking tot deze verdeeling moeilijkheden voor, maar daarop sloeg men in dien tijd geen acht. Dadelijk werden alle krachten ingespannen, om een tweeden tocht op touw te zetten. Deugd en ondeugd gaan in deze wereld soms wonderlijk te zamen. De benoodigde gelden voor dezen tocht werden gedeeltelijk uit kerkelijke fondsen, gedeeltelijk uit verbeurd verklaarde goederen van de Joden bijeengebracht, die, alleen omdat ze Joden waren, uit Spanje verdreven en van al hun bezittingen beroofd waren geworden. De
bekeering der heidenen werd het voornaamste doel van de onderneming geacht, en geen rechtschapen man zal hierin van de zijde der Spaansche vorsten huichelarij zien.
Twaalf geleerde geestelijken werden gekozen, om den tocht mee te maken. Tot apostolisch vicarus over hen werd Bernardo Boyle benoemd. Uit eigen middelen gaf Isabella hun misgewaden en sieraden, om aan de kerkgebruiken luister bij te zetten. Van den aanvang af stelde Isabella een warm en levendig belang in het heil van de Indianen. Door de verhalen, die Columbus van hun
zachtzinnigheid en eenvoud gegeven had, was zij voor hen gewonnen en, meenende, dat de hemel die wilden aan haar bijzondere zorg toevertrouwde, was haar hart met smart vervuld over hun armen en onwetenden toestand. Op haar bevel moest aan het godsdienstonderwijs de grootste zorg worden besteed, en behoorde men ze met de
grootste vriendelijkheid te behandelen, terwijl Columbus alle Spanjaarden voorbeeldig moest straffen, die zich aan beleediging of onrechtvaardigheid tegenover de wilden schuldig maakten. De zes Indianen, die Columbus naar Barcelona had meegenomen, werden in de hoofdkerk aldaar op een zeer indrukwekkende wijze gedoopt. De heele koninklijke familie was er bij en de koning en de koningin traden als doopgetuigen op. Een van die gedoopten stierf spoedig daarna, wat een geleerde van dien tijd aanleiding gaf te schrijven: "Door ons geloof zijn we gehouden aan te nemen, dat hij de eerste van zijn volk was, die in den hemel kwam." Het hof benoemde Columbus, met al zijn titels, voorrechten en winsten, tot Onderkoning, Admiraal en Gouverneur over alle landen, die hij
ontdekken zou. Op den 28en Mei vertrok Columbus van Barcelona naar Sevilla. Verraders verspreidden het gerucht, dat Portugal in allerijl toebereidselen maakte voor een tocht, om de pas ontdekte landen voor zich in bezit te nemen. De betrekkingen tusschen de beide regeeringen
werden dan ook van onvriendelijken aard. Ferdinand schreef aan het Portugeesche hof, dat het den Portugeeschen zeevaarders verboden werd, de onlangs ontdekte landen te bezoeken. Daarop volgde een hevige en vinnige strijd, maar wij kunnen dien niet volgen. Wederzijds namen kuiperij en list de plaats in van eerlijkheid.
Aan die hofkabalen schijnt Columbus vreemd te zijn gebleven. Alle krachten werden te Sevilla voor het in orde brengen van de vloot, die uit zeventien kleine en groote schepen bestaan zou, in beslag genomen. Toebereidselen werden er gemaakt, om een volksplanting van
boeren, werktuigkundigen en ambachtslieden te stichten. Paarden, vee, allerlei soort van huisdieren werden bijeengebracht, om de kolonie te bevolken. Ook verzamelde men planten en zaden, benevens die handelswaren, welke de ondervinding geleerd had, dat door de wilden zouden worden gevraagd. De geestdrift was algemeen, en er
kwam haast geen einde aan de verzoeken, om den tocht mee te mogen maken. Velen van de hooggeplaatste, uitstekende officieren van de land- en zeemacht wilden op eigen kosten mee. Men stond dus aan den vooravond van den dag, waarop een Europeesch leger van gelukzoekers op de weerlooze wilden vallen zou. Noch het hof, noch de waarlijk
goedgezinde tochtgenooten bezaten wellicht de macht de Indianen tegen aanmatigingen te beschermen. Vreemd is het niet, dat die geestdrift door het geheele land werd aangetroffen. Den ontevredenen en onvermogenden had men verteld, dat er eilanden waren, waarop zelfs hemelingen zich te huis zouden gevoelen. Den winter kende men er niet, en moeite evenmin. Priëelen, aan paradijzen gelijk, noodigden tot rusten. De schoonste bloesems geurden overal. Heerlijk fruit hing van de takken naar beneden, ruim
voldoende, om aller honger te stillen, aller dorst te lesschen. Onder een zonnigen hemel was het leven er een voortdurende feestdag. Het is daarom niet te verwonderen, dat honderden en duizenden door zulke voorstellingen verlokt werden, om ontheffing van zwaren arbeid en van zorgen te zoeken in die bosschen, prieëlen en boomgaarden van
dit aardsche paradijs. Een van de merkwaardigste mannen, die zich ook voor dezen tocht inscheepte, was Don Alonzo de Ojeda, en wij zullen dikwijls gelegenheid vinden zijn naam te noemen. Hij was van aanzienlijke geboorte, en na verwant aan den Groot-Ketterrechter van Spanje. Hij
was een stoutmoedig, roekeloos ridder, die in de gevaarlijkste ondernemingen vermaak schiep en een man zonder eenige vrees.
Het geheele getal, dat zich inscheepte, beliep 1500 man. Columbus droeg een rijk gewaad, opdat hij, met gepaste waardigheid, zijn hoogen rang als onderkoning zou kunnen ophouden. Den 28en September 1493 zeilde de vloot de baai van Cadix uit. De morgen was schoon, en een gunstige wind
deed de zeilen zwellen. Alle harten waren vroolijk gestemd. Den 1en October kwam de vloot bij de Kanarische eilanden. Hier nam Columbus nog een aantal kalveren, geiten, schapen en huisvogels in. Ook nam hij van deze eilanden, zoo wordt verhaald, oranje-appelen, citroenen, meloenen en verscheidene andere vruchten mee, om die op Hispaniola in te voeren. Toen men weer zee zou kiezen, kregen alle kapiteins op de
schepen in last, koers te zetten naar de haven van de Geboorte op het eiland Hispaniola. Daar woonde het vriendelijke opperhoofd Guacanagari, en daar had men het garnizoen achtergelaten.
Spoedig voelden ze den invloed van de passaatwinden, en werden ze snel over een kalme zee en onder een wolkenloozen hemel voortgedreven. Toen ze ongeveer 1200 mijlen ten westen van Gomera waren gekomen, ontstond er een vreeselijk onweer. Bij dit natuurverschijnsel zagen ze, wat onder deze omstandigheden niet zeldzaam is, het electrische vuur om de toppen van de masten spelen. Fernando Columbus verhaalt van dit
tooneel het volgende. "Op denzelfden Zaterdag zagen we des nachts St. Elmus, met zeven brandende kaarsen in de maststaak. Het regende en onweerde geducht. Ik wil zeggen, dat men dat licht zag, waaruit volgens de zeelieden, het lichaam van St. Elmus bestaat. Toen zij het zagen, hieven zij smeekgezangen aan en stortten gebeden uit, vast overtuigd, dat niemand
gevaar loopt, wanneer dit vuur in den storm wordt gezien. Het moge waar zijn, maar ik wil niet beslissen. Mogen wij Plinius gelooven, dan hebben gedurende zeestormen de Romeinsche zeelieden dergelijke lichten ook gezien, die zij Castor en Pollux noemden, en waarvan Seneca eveneens, melding maakt."
Den 3en November zag men op een Zondagmorgen heel ver in 't Westen een hoog eiland. Het werd met vreugdekreten van alle schepen begroet. Columbus noemde het Dominica. Op bevel van Columbus kwam al het scheepsvolk op het dek, en werd er godsdienstoefening gehouden, waarbij onder gebed en lofgezang in 't bijzonder God gedankt werd voor de voorspoedige reis.
Nu kwam de vloot bij de schoone eilandengroep, die de Antillen heet. Van alle ligt het prachtige eiland Porto Rico het westelijkst. Terwijl de vloot verder ging, voer men zes eilanden
voorbij, waarvan het fraaie groen aanhoudende kreten van verbazing uitlokte. Op een van deze, Maria Galante geheeten, ging Columbus aan land. Dit eiland, dat door een dicht bosch bedekt was, scheen onbewoond. Columbus plantte er de Spaansche vlag, en nam het in naam van zijn vorsten in bezit.
Een ander eiland, dat veel grooter bleek, kwam in het gezicht. Met zooveel mannen, als een boot bevatten kon, ging Columbus aan land. Ook hier vond hij geen bewoners, maar zag vele zonderlinge natuurtooneelen. Hij noemde het eiland Estramadura. De Indianen gingen van schrik op de vlucht. Er was een lief dorp, dat uit een dertigtal huizen bestond, die een openbaar plein omgaven. Elk huis had een open galerij, waarin de familie zitten kon, die dan beschermd was voor de stralen van de zon. Een van die huizen was versierd met keurig
net houtsnijwerk. Net geweven hangmatten van sterk katoen gemaakt hingen er binnen in, en men kon ook aardewerk en kalebasschalen zien, die tot vaten dienden. Om de huizen liepen makke ganzen en tamme papegaaien. Hier troffen de Spanjaarden ook voor het eerst de ananas aan. Toen zij naar het schip teruggekeerd waren, voeren zij eenige mijlen langs de kust van dit eiland, en bleven des nachts in een goede haven liggen. Zij zagen wel onder het varen vele dorpen, maar de verschrikte inwoners namen bij het zien van de schepen dadelijk de vlucht. Den volgenden morgen werd een boot aan land gezonden. De matrozen namen
een jongen en verscheidene vrouwen gevangen, en brachten die aan boord. Uit de wapenen, die de matrozen vonden; het huiveringwekkend gezicht van menschenbeenderen, die zij zagen, en ook uit hetgeen Columbus van de vrouwen--door zijn Indiaansche tolken--vernam, kon hij opmaken, dat dit één van de eilanden was, waar menscheneters woonden. Aan de pijlen zaten scherpe beenen punten, die met het sap van zekere plant vergiftigd waren. In groote roofbenden hielden zij strooptochten op andere eilanden, vermoordden de oude lieden, hielden de knapste meisjes voor gezelschap of als dienstboden bij zich, en aten de kinderen op. Aan de balken van de huizen zagen de Europeanen
deelen van 't menschelijk lichaam hangen, die een bewerking schenen te ondergaan om tot voedsel bereid te worden. In een der huizen zag men het hoofd van een jong mensch, dat blijkbaar pas was afgehouwen. Andere deelen van menschelijke lichamen werden gebraden.
Een kapitein van een der karveels had het gewaagd met 8 man zonder verlof een uitstapje te maken, en men kon hem nergens terugvinden. Columbus was zeer bezorgd, want hij kon met reden vreezen, dat zij door deze ruwe wilden waren vermoord. Hij wachtte in grooten angst een dag en een nacht, maar toen hij nog niets vernam, zond
hij troepen in verschillende richting, die op de trompet blazen en schoten moesten lossen. Maar al het zoeken was vruchteloos. Wel zag men vele inboorlingen; doch zoodra men hen naderde, liepen zij zoo hard mogelijk weg.
De ridderlijke Alonzo de Ojeda bood vrijwillig aan met 40 man het heele eiland te gaan onderzoeken. Deze kleine troep drong diep in het land door. Over breede stroomen en door bijna ondoordringbare bosschen leidde hun pad. Men loste schoten, blies zoo hard men kon op de trompet, maar Ojeda moest zonder tijding van de verlorenen
terugkeeren. Vele dagen waren sedert hun verdwijnen verloopen, en hoop, om ze terug te vinden, was er niet meer. Met een bedrukt hart lichtte Columbus zijn ankers, toen hij op eenmaal een flauwen kreet uit een dicht bosch hoorde, en kort daarna verschenen de mannen aan het strand. Hun gescheurde kleeding en hun ontstelde gelaatstrekken
lieten maar al te duidelijk zien, wat zij geleden hadden. Zij waren in de kreupelbosschen van een dicht woud verdwaald geraakt, een woud zoo verbazend dicht, dat men er haast niet in zien kon. Met de grootste moeite hadden zij zich door het verwarde net van riet, wijnstokken en dorens een pad gebaand. De groote boomen, die hen overschaduwden, beletten hun zelfs de sterren te zien.
Hun lijden werd nog veel erger door den grooten angst, waarin zij verkeerden, dat de admiraal, meenende dat zij dood waren, weg zou zijn gevaren en hen dus aan een vreeselijk lot overliet. In dat geval konden zij niet hopen ooit hun vrienden of hun vaderland terug
te zullen zien. Naar alle waarschijnlijkheid zouden de wilden hen dooden en opeten. Eindelijk vonden zij den zeekant. Vol bekommering liepen zij dien langs, en konden niet gelooven, dat de vloot om hunnentwil de voortreis zoo vele dagen zou hebben uitgesteld. Tot hun onuitsprekelijke blijdschap vonden zij de haven, en de schepen voor anker liggen.
Zij brachten een of twee meisjes en jongens mee. Niet één man hadden ze gezien. Men had vernomen, dat alle krijgslieden vertrokken waren, om een ander eiland te plunderen. Dat de kapitein met zijn manschappen zonder verlof het schip hadden verlaten, vond Columbus een ernstige overtreding. Daardoor toch was de vloot verscheidene dagen opgehouden, en, behalve de groote moeite, die hun opsporing gegeven had, had men op de schepen veel angst uitgestaan. Daarom dan ook werden de overtreders, ondanks al hun doorgestaan leed, gevangen genomen.
Den 10en November werden de ankers gelicht, en zeilde de vloot door de schoonste eilanden-zee, die er op de wereld kan gevonden worden. Terwijl de vloot door deze schoone en bloeiende paradijzen gleed, die als uit een kalme zee oprezen, gaf Columbus hun
namen. Den 14en wierp hij het anker uit in de haven van een eiland, dat de Indianen Ayay noemden, maar waaraan hij den naam gaf--nu zoo algemeen bekend--van Sante Cruz. Een flink bemande boot werd aan wal gestuurd. Zooals gewoonlijk namen de inboorlingen de vlucht. In een verlaten dorp namen ze een of twee mannen en een knaap gevangen. Dit waren krijgsgevangenen, die de wreede bewoners van een ander eiland hadden gehaald. Ook zagen ze een kano, met onderscheidene Indianen er in, om een landpunt heengaan. Het volk in de boot roeide met alle kracht, en haalde hen in.
De Caraïbiërs, zooals zij genoemd werden, grepen naar pijl en boog en vochten met bijna duivelsche wanhoop. De Spanjaarden wisten zich over het algemeen door schilden te beschutten, maar twee werden toch
gewond. Twee van de inboorlingen waren vrouwen, die even dapper als de mannen vochten. Een van hen schoot een pijl af met zulk een kracht, dat zij een Spaansch schild geheel doorboorde. De lichte kano sloeg om. De wilden vochten in het water even goed, en wierpen hun pijlen even behendig, alsof zij in de boot hadden gestaan.
Eindelijk werd men hen meester. Eén was doodelijk gewond, en stierf, toen hij aan boord van het schip werd gebracht. Vele anderen nog hadden wonden. Een van de vrouwen scheen een hoogen rang te bekleeden. Zij had haar zoon bij zich. Hij was een jongeling van groote lichaamskracht, had een woest gelaat en bezat leeuwenmoed. Allen hadden zich afschuwelijk leelijk beschilderd, en droegen lang, zwart, dik haar. Ofschoon men ze flink gekneveld had, zagen ze er toch nog moedig en uittartend uit. Het geleken tijgers in een kooi,
wier zichtbare kracht en dreigend voorkomen maakten, dat allen ze met een gevoel van schrik aanzagen. Eén van de Spanjaarden was in het gevecht doodelijk gewond, en stierf binnen weinige dagen. Bij de voortzetting der reis kreeg de vloot weldra een andere eilandengroep in 't gezicht. Op sommige er van vond men een weligen
plantengroei; andere waren naakte, steile rotsen, zwart geworden door den golfslag en den wind van honderden jaren. De vruchtbare eilanden schenen over het algemeen onbewoond te zijn. Zij lagen zoo dicht bij elkander, dat het voor een groot schip gevaarlijk mocht heeten
er tusschen door te varen. De groep heet nog de Virginia-eilanden, een naam, dien Columbus er aan gaf. Het grootste van de groep noemde hij Santa Ursula.
Altijd trachtte de vloot zoo snel mogelijk de westwaarts gelegen haven op het eiland Hispaniola te bereiken. Op den avond van een schoonen dag rees een groot eiland voor hun oog op, waarop vele bosschen stonden
en waarvan het strand vele baaien vormde. Het was Porto Rico. De inboorlingen noemden het Boriquen. Columbus gaf het den naam van San Juan Bautista. Het werd ondersteld het voornaamste eiland der zoo gevreesde Caraïben te zijn. Columbus hoorde nu, dat het een rustplaats
was tijdens hun bloedige strooptochten. Hier regeerde één opperhoofd over een talrijke bevolking. Zij waren krijgslieden uit nood, en vochten voor zelfbehoud. Uit wraak aten ze hun krijgsgevangenen op. Een geheelen dag voer de vloot langs de schoone kusten van dit eiland, en ankerde des avonds in de westelijkste baai, waar overvloed van visch was. De admiraal ging aan land. Hij vond er een lief Indiaansch dorp, dat door een goed pad met de zee verbonden was. De huizen stonden--als
gewoonlijk--om een vierkant plein. Aan elken kant van den weg lagen vruchtbare tuinen, door stevige rieten omheiningen ingesloten. Aan het einde van den weg, dicht bij het strand, had men een verhevenheid gebouwd, een soort van sterrentoren, een uitkijk, van waar men alles, wat over zee aankwam, op grooten afstand kon zien.
Maar een eenzaamheid als die van Thebe of Palmyra heerschte bij deze woningen. Geen levend wezen was te zien, omdat de inwoners op het gezicht van het smaldeel naar het binnenland gevlucht waren. De vloot bleef hier twee dagen, gedurende welken tijd geen Indiaan zich durfde vertoonen.
Het verhaal, dat Columbus van dezen kruistocht tusschen de Caraïbische eilanden naar Spanje zond, werd door geheel Europa met de grootste belangstelling gelezen. Het scheen de betwiste vraag op te lossen, of het menschdom ergens zoo laag gezonken was, dat men zich met menschenvleesch voedde. Toch twijfelt men niet, of veel van hetgeen
de wilden aan Columbus mededeelden, was onduidelijk. Bij het bewijs, dat aangevoerd werd voor het bestaan der gewoonte om menschenvleesch te eten, moet men vooral niet vergeten, dat zeelieden dikwijls slecht en onnauwkeurig waarnemen, en dat de Spanjaarden reeds van te voren het feit voor waar hielden. Bij de bewoners van vele eilanden en andere deelen van de Nieuwe wereld was het de gewoonte, om het overschot van overleden betrekkingen en vrienden te bewaren; soms
het geheele lijk, soms alleen het hoofd of een ander lichaamsdeel, dat dan boven het vuur gedroogd werd; enkele malen ook alleen de beenderen. Den 22sten November vertoonden zich in de verte de oostelijkste klippen van Haïti. De grootste opgewektheid heerschte aan boord van al de schepen, toen men hoorde, dat Hispaniola in 't gezicht was. Met bolle zeilen gleed de vloot langs de schoone stranden,
en allen waren opgetogen over de verhevene en liefelijke tooneelen, die zich onophoudelijk aan hen voordeden. Een matroos, die in het gevecht op Porto Rico gewond werd, kwam te overlijden. Eenige goed gewapende manschappen werden aan land gezonden om hem te begraven. Op het strand hadden de lijkplechtigheden plaats, en deze werden niet gestoord, omdat de wilden hadden gehoord, dat Columbus een vriendelijk
man was. Zonder eenige vrees kwam een kano naar het schip van den Admiraal toe, met het verzoek van het opperhoofd van het eiland of hij hem met een bezoek wilde vereeren. Columbus wees het verzoek van de hand, maar overlaadde de afgezondenen met geschenken.
De vloot ging verder, en ankerde in de golf van Samana. Men zal zich herinneren, dat Columbus hier op zijn eerste reis door de wilden aangevallen werd, maar dat hij door goedhartigheid hun vriendschap verworven had, zoodat vier jonge Indianen hem naar Spanje vergezelden. Een van dezen, die gedoopt en tot het christendom bekeerd was, zond
Columbus aan wal. Hij deed hem rijke kleederen aan, en hing hem een groote hoeveelheid van die kleinooden om den hals, waaraan de Indianen zooveel waarde hechtten. Hij kwam echter niet terug, en nooit heeft men iets meer van hem vernomen. Van alle wilden, die Columbus mee had genomen naar Spanje, was er nu nog maar één over. Deze, die ook
gedoopt was geworden, en toen den naam van Diego Colon had gekregen, scheen een waar christen te zijn. Den 25sten November wierp de vloot in de haven van Monte Christo het
anker uit. Men zal zich herinneren, dat een groote rivier in deze baai uitliep, die Columbus Rio del Oro of Goudrivier noemde, maar nu Santiago heet. Zij schrikten erg, toen zij op de kust 4 lijken vonden, die bij onderzoek Europeanen bleken te zijn. Zij moeten dus tot het garnizoen behoord hebben, dat Columbus op La Navidad, slechts een
paar mijlen westelijker gelegen, achtergelaten had. De somberste voorgevoelens omtrent het lot van die menschen waren nu opgewekt.
Toch kwamen er nog onderscheidene inboorlingen geheel onbevreesd en vriendelijk aan boord, zoodat uit niets bleek, dat zij kennis droegen van vijandelijkheden tusschen de wilden en de Spanjaarden.
Het was reeds avond, toen Columbus den 27sten drie mijlen van La Navidad ankerde. In de duisternis die haven binnen te loopen durfde hij niet, maar omdat hij zoo gaarne wilde weten, hoe het met het garnizoen ging, liet hij twee kanonschoten lossen. De met bosch bedekte stranden en de rotsen weerkaatsten de schoten, maar ander antwoord kwam er niet. Treurig en stil ging de nacht voorbij. Geen licht werd gezien, geen geluid gehoord. De stilte van een maagdelijk